donderdag 9 april 2015

Damien Hirst, Bombay Mix, “spot painting” aangebracht op behang, losgesneden en te koop aangeboden, uitputting (HVJ EU Allposters/Pictoright) en morele rechten


Damien Hirst, Bombay Mix, “spot painting” aangebracht op behang, losgesneden en te koop aangeboden, uitputting (HVJ EU Allposters/Pictoright) en morele rechten





In juli 2014 werd bekend dat Damien Hirst eist dat een van zijn schilderijen aan hem moet worden teruggegeven en vernietigd. Het schilderij, getiteld Bombay Mix, werd gemaakt door Hirst in 1988 en is een vroeg voorbeeld van zijn commercieel succesvolle “stip” schilderijen. Hirst, 's werelds rijkste levende kunstenaar, schilderde het kunstwerk direct op het behang in een huis in Fulham Londen (UK). Het schilderij was een gift van Sir John en Lady Ritblat voor hun zoon.

Toen het huis in Fulham met vier slaapkamers werd verkocht bleef het schilderij in het pand (op het behang) aanwezig. Het pand werd uiteindelijk in 2005 door Jess en Roger Simpson (die tweede eigenaar zijn sinds Ritblat het huis verkocht) gekocht voor £ 471.000.

“Spot paintings” van Hirst zijn de laatste anderhalf jaar verkocht voor prijzen tussen de $53.000,= en $1.500.000,=. In totaal zou Hirst -tot nu toe- zo'n 1365 "spot paintings' hebben gemaakt

Damien Hirst, "spot painting"
















Bijzonder aan de spot painting in het huis in Fulham is dat het zo’n drie maanden is geschilderd na de “Freeze” tentoonstelling uit 1988 waar een nieuwe generatie “young British Artists” werd gelanceerd.


In 2007 hebben specialisten het werk “Bombay Mix” , met behang en al, van de muur gehaald en op een aluminium plaat gemonteerd.  Jess en Roger Simpson willen nu het schilderij verkopen. Het schilderij zou niet geheel naar hun smaak zijn.

De verkoop stuit echter op problemen. Science Ltd, het bedrijf van Damien Hirst stelt zich op het standpunt dat “Bombay Mix” had moeten worden overgeschilderd toen de heer Ritblat het huis verkocht. Science Ltd. Verwijst daarbij naar het “certificaat van echtheid” van Hirst (eigenlijk een handgeschreven brief van Hirst aangaande het schilderij).

Science Ltd. benadrukt dat de heer Ritblat een alternatieve versie van het schilderij op doek heeft gekregen in ruil voor het “certificaat van echtheid”. Het komt er dan op neer dat Science Ltd./Hirst het certificaat van echtheid heeft ingenomen. Volgens Science Ltd./ Hirst kan er alleen sprake zijn van eigendom van het schilderij in combinatie met het “certificaat van echtheid”. Een woordvoerder van Hirst formuleert het als volgt:


“The ownership of a wall painting in the series titled 'Wall Spots’ always resides with the owner of the 'Wall Spots’ signed certificate which accompanies the art work. 
“The certificate certifies ownership. Someone being in possession of the painted wall surface without the certificate does not have any entitlement to the work. 
“The painting should have been painted over when the previous owner traded the wall spot for a work on canvas. 
“Science Ltd acquired the certificate from the original owner a number of years ago and is now the legal owner of the 'Wall Spot’ entitled Bombay Mix.” 

Ritblat (die het kunstwerk van zijn vader kreeg) heeft in een e-mail aan Jess Simpson (de verkoper)  geschreven dat het kunstwerk nu niet meer is dan een:  “valueless bunch of multi- coloured spots”.

Mrs Simpson, 35, een woning consultant die woont nu in Oxfordshire, zei dat ze was verbijsterd dat het schilderij misschien wel niet zou kunnen worden verkocht. Eind maart 2015 heb ik contact gezocht met de kunsthandelaar die het werk van Hirst te koop aanbood om te informeren naar de status van het geschil. De kunsthandelaar vertelde mij dat het “under wraps” is, waaruit ik op maak dat het werk op dit moment niet wordt aangeboden.


De vraag is nu of Hirst de door hem gemaakte “spot painting” kan opeisen en/of de verkoop van de “spot painting” kan verbieden. Deze vragen zullen naar Europees en Nederlands recht worden beantwoord.

Dat Jess en Roger Simpson eigenaar zijn geworden van de “spot painting” staat wel vast. De spot painting is geschilderd op het behang van de woning, die zij hebben gekocht. Vast staat dat Jess en Roger Simpson de woning in eigendom hebben verkregen, en dat het behang met daarop het schilderij is meegeleverd. In ieder geval staat vast dat Ritblat niet de eigendom van het schilderij claimt.

Dat Jess en Roger Simpson eigenaar zijn van het behang met daarop de “spot painting” betekent dat nu ook dat zij het schilderij (met behang en al) van de muur mogen halen en verkopen? Niet in geschil is dat Damien Hirst auteursrechthebbende is van het schilderij.

Uitputting?

Het auteursrecht is het exclusieve recht van een maker van een werk om het werk openbaar te maken en te verveelvoudigen. In beginsel zou Hirst zich op het standpunt kunnen stellen dat de familie Simpson het werk niet openbaar mogen maken. Echter, uitzondering op die regel is wanneer het auteursrecht uitgeput is.

De uitputtingsregel houdt in dat als een exemplaar van een werk eenmaal met toestemming van de maker in het verkeer is gebracht, de eigenaar van dat exemplaar dat vervolgens mag doorverkopen, zonder dat de auteursrechthebbende daar bezwaar tegen kan maken. De auteursrechthebbende heeft immers bij de eerste maal dat het werk in het verkeer werd gebracht, geprofiteerd van de verkoop.
Is er in het geval van Hirst nog wel sprake van een (voorgenomen) verkoop van hetzelfde werk? In Nederland is een zaak die lijkt op de zaak van Hirst aan de orde geweest: Hoge Raad Hovener/Poortvliet (HR 19 januari 1979, NJ 1979, 412). Wat was er aan de hand? Hovener had kalenders met afbeeldingen gemaakt door Poortvliet gekocht, vervolgens had hij de afbeeldingen uitgeknipt, die op spaanplaat geplakt, om vervolgens de afbeeldingen (op spaanplaat) los te koop aan te bieden. De Hoge Raad oordeelde dat Poortvliet "door aan Unieboek de door hem vervaardigde schilderijen ter reproduktie ten behoeve van een door haar uit te geven kalender af te staan, aan Unieboek slechts het recht heeft gegeven die schilderijen tot dat doel en in die vorm te verveelvuldigen en openbaar te maken, en niet om deze als losse reprodukties in de handel te brengen" en dat Hovener "een aantal van de reprodukties van door hem gekochte kalenders heeft afgeknipt, op spaanplaat geplakt en op die manier aan het publiek heeft aangeboden en verkocht". De Hoge Raad kwalificeert dit laatste als een openbaarmaking in de zin van de Auteurswet. Daaraan doet volgens de Hoge Raad niet af dat de door Hovener gekochte kalenders in druk waren verschenen, "nu Hovener aan de reprodukties die onderdeel waren van de kalenders — naar hun aard slechts gedurende een korte periode voor en in het jaar waarvoor zij bestemd waren, op normale wijze verkoopbaar —, een andere vorm heeft gegeven en ze in die vorm afzonderlijk onder het publiek heeft verspreid".
De Hoge Raad formuleerde in het arrest Hovener/Poortvliet daarmee een uitzondering op de uitputtingsregel (welke regel weer een uitzondering is op de hoofdregel dat alleen de maker van een werk een werk mag openbaar maken en verspreiden).
Recent diende het Hof van Justitie EU de vraag te beantwoorden of het overbrengen van een afbeelding op een poster, op canvas (een zgn. “canvas transfer”) kwalificeert als een openbaarmaking, ofwel dat de rechten van de auteur zijn uitgeput nu de afbeelding afkomstig is van een poster die met toestemming van de auteur op de markt is gebracht, en nu de afbeelding ook niet wordt gewijzigd.

Het Hof van Justitie heeft op 22 januari 2015 uitspraak gedaan (Art & Allposters tegen Stichting Pictoright) HvJ EU 22 januari 2015, IEF 14580; ECLI:EU:C:2015:27; zaak C-419/13 (Art & Allposters tegen Stichting Pictoright).

Het Hof komt in de overwegingen 39 t/m 49 tot het volgende oordeel:

39 Volgens artikel 6, lid 1, van dit verdrag (de Auteursrechtrichtlijn) hebben auteurs van werken van letterkunde en kunst immers het uitsluitend recht om toestemming te verlenen voor het door verkoop of andere overgang van eigendom voor het publiek beschikbaar stellen van het origineel en de exemplaren van hun werken. De betekenis van het begrip „exemplaren” is in dit verband verduidelijkt door de verdragsluitende partijen in een gemeenschappelijke verklaring betreffende de artikelen 6 en 7 van dat verdrag, die is vastgesteld door de diplomatieke conferentie op 20 december 1996, waar ook het verdrag is vastgesteld. Luidens die verklaring wordt „[o]nder ‚het origineel en kopieën’ en ‚exemplaren’, [...] die overeenkomstig deze artikelen het voorwerp van het verspreidingsrecht en het verhuurrecht vormen, [...] uitsluitend verstaan vastgelegde exemplaren die als tastbare voorwerpen in het verkeer kunnen worden gebracht”.

40 De uitputting van het distributierecht is dus van toepassing op de tastbare zaak waarin een beschermd werk of een kopie daarvan is belichaamd indien deze zaak met toestemming van de auteursrechthebbende in de handel is gebracht.

41 In de tweede plaats moet worden nagegaan of latere wijzigingen van de materiële drager van de met toestemming van de auteursrechthebbende in de handel gebrachte zaak van betekenis zijn voor de uitputting van het distributierecht in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 2001/29.

42 In het hoofdgeding bestaat de wijziging erin de op een papieren poster aangebrachte afbeelding van een kunstwerk over te brengen op een canvasdoek door middel van het in punt 15 van het onderhavige arrest beschreven procedé, wat leidt tot vervanging van de papieren drager door een doek. Blijkens de opmerkingen van partijen in het hoofdgeding leidt die techniek tot een duurzamere reproductie, een afbeelding van hogere kwaliteit in vergelijking met de poster en een resultaat dat dichter bij het origineel van het werk ligt.

43 Dienaangaande zij met de Franse regering vastgesteld dat een vervanging van de drager op de wijze zoals in het hoofdgeding leidt tot de schepping van een nieuwe zaak waarin de afbeelding van het beschermde werk wordt belichaamd, terwijl de poster als zodanig ophoudt te bestaan. Een dergelijke wijziging van de kopie van het beschermde werk, waardoor het resultaat dichter bij het origineel komt te liggen, kan in feite een nieuwe reproductie van dat werk in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29 vormen, die onder het uitsluitend recht van de auteur valt en waarvoor zijn toestemming is vereist.

44 Allposters betoogt echter dat de canvas transfer niet kan worden gekwalificeerd als een reproductie omdat het aantal kopieën van het beschermde werk niet toeneemt, aangezien de afbeelding wordt overgebracht en van de papieren poster verdwijnt. Volgens haar is er geen wijziging in de inkt waarmee het werk wordt gereproduceerd en ondergaat het werk zelf geen enkele wijziging.

45 Dit betoog kan niet worden aanvaard. De omstandigheid dat de inkt bewaard blijft tijdens de overbrenging doet immers niet af aan de vaststelling dat de drager van de afbeelding is gewijzigd. Van belang is of de gewijzigde zaak op zich, in zijn geheel beschouwd, materieel de zaak is die in de handel is gebracht met toestemming van de rechthebbende. Dat lijkt niet het geval te zijn in het hoofdgeding.

46 De toestemming van de auteursrechthebbende heeft dus geen betrekking op de distributie van een zaak waarin zijn werk is belichaamd indien die zaak na de eerste verhandeling ervan dusdanig is gewijzigd dat zij een nieuwe reproductie van dat werk vormt. In die hypothese is het distributierecht betreffende een dergelijke zaak slechts uitgeput na de eerste verkoop of andere eigendomsovergang van die nieuwe zaak met toestemming van de rechthebbende.

47 Deze uitlegging vindt steun in de belangrijkste doelstelling van richtlijn 2001/29, die, zoals uit de overwegingen 9 en 10 ervan blijkt, erin bestaat een hoog beschermingsniveau voor onder meer de auteurs te verwezenlijken, zodat dezen een passende beloning voor het gebruik van hun werk kunnen ontvangen (zie arresten SGAE, C‑306/05, EU:C:2006:764, punt 36; Peek & Cloppenburg, EU:C:2008:232, punt 37, en Football Association Premier League e.a., EU:C:2011:631, punt 186).

48 Blijkens de argumenten die partijen in het hoofdgeding voor het Hof hebben aangevoerd, hebben de auteursrechthebbenden geen toestemming gegeven voor de distributie van de canvas transfers, althans niet uitdrukkelijk. Toepassing van de regel van uitputting van het distributierecht zou die rechthebbenden dus de mogelijkheid ontnemen om de distributie van die zaken te verbieden of, in geval van distributie, een passende beloning voor de commerciële exploitatie van hun werken te eisen. In dat verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat, om passend te zijn, een dergelijke beloning in een redelijke verhouding tot de economische waarde van de exploitatie van het beschermde voorwerp moet staan (zie naar analogie arrest Football Association Premier League e.a., EU:C:2011:631, punten 107‑109). Partijen in het hoofdgeding erkennen dat de economische waarde van canvas transfers aanzienlijk hoger is dan die van posters.

49  Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat de regel van uitputting van het distributierecht niet van toepassing is wanneer een reproductie van een beschermd werk die met toestemming van de auteursrechthebbende in de Unie in de handel is gebracht, nadien een vervanging van de drager ervan heeft ondergaan zoals de overbrenging van die op een papieren poster aangebrachte reproductie op een canvasdoek, en in die nieuwe vorm opnieuw in het verkeer wordt gebracht.

(onderstrepingen QM)

Voor alle duidelijkheid het Hof behandeld niet de vraag of er sprake is van een wijziging in het auteursrechtelijk beschermde werk (het corpus mysticum). Het Hof gaat het alleen om de vraag of de tastbare zaak waarin een beschermd werk of een kopie daarvan is belichaamd is gewijzigd. Van belang is volgens het Hof of de gewijzigde zaak op zich, in zijn geheel beschouwd, materieel de zaak is die in de handel is gebracht met toestemming van de rechthebbende. Het Hof oordeelt in het geval van de “canvastransfer” dat dat niet het geval is. De poster (die als basis dient voor de canvastransfer) is na de eerste verhandeling dusdanig  gewijzigd (de afbeelding van de poster is overgebracht op canvas) dat de canvastransfer een nieuwe reproductie van het werk belichaamd in de (verloren gegane poster) vormt. Opvallend is dat het Hof niet spreekt over het aangeboord zijn van een nieuwe exploitatie mogelijkheid van het werk door toepassing van de “canvas transfer”. Het Hof lijkt het feit dat de gewijzigde zaak (in casu de “canvas transfer”) op zich, in zijn geheel beschouwd, materieel niet de zaak is die in de handel is gebracht met toestemming van de rechthebbende voldoende te vinden voor het oordeel dat er sprake is van een nieuwe reproductie en dat daarvoor toestemming van de rechthebbende nodig is.

De feiten in de Hirst zaak liggen iets anders. De “Spot Painting” is aangebracht op het behang in de woning gelegen te Fulham. Het behang met daarop de “Spot Painting” is –zo wordt gezegd- professioneel van de muur gehaald en vervolgens op een aluminium plaat geplakt. Anders dan in de “canvast transfer” zaak (waar de poster verloren is gegaan in het proces van overbrengen), is het behang waarop de “spot painting” is aangebracht intact gebleven. Is er nu –in het licht van HVJ EU Allposters/Pictoright -sprake van een nieuwe reproductie waar toestemming van Hirst voor nodig is?
De vraag die mijn inziens dan beantwoord dient te worden of de gewijzigde zaak (de spotpainting, op behang, op een aluminium plaat geplakt) op zich, in zijn geheel beschouwd, materieel de zaak is die in de handel is gebracht (de spot painting aangebracht op het behang in het huis te Fulham) met toestemming van de rechthebbende.

De bedoeling van Hirst met de Spot Painting op het behang te Fulham lijkt te zijn –los van artistieke motieven- dat de Spot Painting die locatie nooit zou verlaten. Dit blijkt uit het “certificaat van echtheid”, en is mijn inziens ook af te leiden uit het feit dat de “spot painting” direct op het behang is geschilderd. Als Hirst al de bedoeling had de spot painting in de handel te brengen, dan was het klaarblijkelijk de bedoeling van Hirst dat de spot painting op behang tezamen met het huis te Fulham verkocht kon worden. Uit de feiten blijkt dat Hirst een spot painting op doek heeft geleverd aan de koper van de spot painting op behang, waarbij de afspraak is gemaakt dat de spot painting op het behang overgeschilderd zou worden (hetgeen niet is gebeurd).  Uit het voorgaande blijkt dat het nimmer Hirst zijn bedoeling is geweest dat de spot painting met behang zou kunnen worden losgesneden van het overige behang en zelfstandig verhandelt zou kunnen worden. Mijn inziens houdt de door het Hof EU aangelegde toets of de gewijzigde zaak op zich, in zijn geheel beschouwd, materiaal de zaak is die in de handel is gebracht in dat het feit dat de drager van het werk behang is, welk behang onderdeel uitmaakt van een huis te Fulham meegewogen dient te worden. Met andere woorden de spot painting op behang, geplakt op een aluminiumplaat is materieel niet de zaak die met toestemming van Hirst in de handel is gebracht.
Het voorgaande in acht genomen zou Hirst zich derhalve met een beroep op zijn distributierecht kunnen verzetten tegen verhandeling van de “behang transfer”.

Artikel 25 Auteurswet: ‘droits au respect’
Op grond van artikel 25 lid 1sub c en d Auteurswet kan Hirst zich –kort gezegd- verzetten tegen aantasting van zijn werk. Op grond van artikel 25 lid 1 sub c heeft Hirst het recht zich te verzetten tegen een wijziging in het werk, tenzij de wijziging van zodanige aard is dat het verzet in strijd met de redelijkheid zou zijn. Op grond van artikel 25 lid 1 sub d kan Hirst zich verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting van het werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid. Op grond van sub c is een belangenafweging vereist, op grond van sub d dient er sprake te zijn van –kort gezegd- nadeel aan de eer of de naam van de maker.
Nu de vraag naar een eventuele inbreuk op de persoonlijkheidsrechten van Hirst aan de orde is, is van belang wat nu het werk van Hirst is. In casu is er een handgeschreven ondertekende en gedateerde verklaring van Hirst met daarop instructies aangaande “Bombay Mix”. Uit deze verklaring blijkt dat het gaat om een “wall painting with half spots on the top row”, de afmetingen van het werk worden bepaald (is niet door Hirst ingevuld/niet van toepassing), de grote van de stippen worden bepaald en de onderlinge afstand van de stippen. Bepaald is dat de stippen direct op de muur geschilderd dienen te worden, de kleuren van de stippen (niet donkerder dan de stip geschilderd op de verklaring. Bepaald is dat het werk “geinstalleerd” dient te worden door Hirst of een van zijn assistenten. In de verklaring is opgenomen “this document certifies ownership of the artwork”. Tenslotte is bepaald “This piece must be painted out before it is re-made for anywhere else”.
Het werk zoals bedoeld door Hirst (en opgenomen in de verklaring) is door Hirst uitgevoerd (geinstalleerd) in het huis te Fulham.
De verklaring van Hirst heeft zonder meer een eigen oorspronkelijk karakter en draagt het persoonlijk stempel van de maker en voldoet daarmee aan de toets voor auteursrechtelijke bescherming. Zou aan het auteursrechtelijk beschermd zijn van de “spot painting” op het eerste gezicht nog getwijfeld kunnen worden (hoe origineel is een verzameling stippen, en is dat niet al eerder gedaan ?), dan neemt de verklaring die twijfel mijn inziens weg. Door de verklaring wordt je erop geattendeerd dat geen een van de stippen donkerder is dan paars, de aandacht wordt ook gevestigd op de gelijke diameter van de stippen en de onderlinge afstand alsook het feit dat de stippen direct op de muur zijn geschilderd. Uit de verklaring valt ook op te maken dat de afmetingen van het kunstwerk onbepaald zijn. Het is kennelijk de bedoeling van Hirst geweest om een kunstwerk te maken dat één wordt met de ruimte waarin het is geschilderd. Mag de verklaring van Hirst nu een rol spelen bij de invulling van het werkbegrip van de “spot painting” zoals aangebracht op de muur. Mijn inziens mag dat. Uiteraard zijn de kenmerken van de “spot painting” zoals door Hirst in de verklaring opgenomen, ook uit het werk zelf (de “spot painting” zoals op de muur aangebracht) op te maken. Uit het feit dat het werk op de muur in een specifiek huis is aangebracht, valt mijn inziens ook al af te leiden dat het werk specifiek voor die ruimte is gemaakt, om als onderdeel van die ruimte te worden waargenomen. De verklaring onderstreept nog eens dat het ruimtelijke element  van de “spot painting”, inderdaad , onderdeel van het werk zoals bedoeld (en uitgevoerd) door Hirst is.
 Het lossnijden van de “spot painting” om de “spot painting” vervolgens met behang en al op een aluminum plaat te plakken is mijn inziens zowel op grond van artikel 25 lid 1 sub c en d Auteurswet een inbreuk op de persoonlijkheidsrechten van Hirst. Niet valt in te zien welk te respecteren belang de huidige bewoners van het huis te Fulham hebben met het los snijden van het werk. Vast staat mijn inziens ook dat de reputatie van Hirst wordt aangetast indien er verminkte werken van hem op de markt komen.
Wat nu te denken van de opmerking van Science Ltd (het bedrijf van Hirst) dat zonder de verklaring van Hirst er geen sprake kan zijn van een echte Hirst; 

“The certificate certifies ownership. Someone being in possession of the painted wall surface without the certificate does not have any entitlement to the work. "

Gezien de inhoud van de verklaring van Hirst kan gesteld worden dat de verklaring tezamen met de “spot painting” een conceptueel kunstwerk is, waarbij een van de in het oog springende kenmerken is dat de “spot painting” op een andere plek “geinstalleerd” kan worden, mits de al reeds geinstalleerde “spot painting” wordt overgeschilderd. Het voorgaande roept de vraag op of in de ogen van Hirst zonder de verklaring wel sprake kan zijn van een zelfstandig kunstwerk. In dat licht is wellicht ook de uitspraak van Ritblat (de zoon die het kunstwerk van zijn ouders had gekregen) als dat zonder de verklaring de “spot painting” niet meer is dan een:  “valueless bunch of multi- coloured spots”.

Hoe nu verder?
Mijn inziens levert de verkoop van de (losgesneden) “spot painting” strijdt op met het distributierecht van Hirst, en kan Hirst een actie instellen wegens inbreuk op zijn auteursrecht nu er sprake is van een nieuwe reproductie. Naar Nederlands recht is er mijn inziens ook sprake van inbreuk op de persoonlijkheidsrechten van Hirst nu er sprake is van aantasting va het werk. 
 
Wellicht zouden  Jess en Roger Simpson nog kunnen betogen dat de “Spot painting” van Hirst niet kwalificeert als een auteursrechtelijk relevant werk nu –zoals uit de verklaring van Hirst valt op te maken- het een conceptueel kunstwerk betreft waarin de verklaring van Hirst een allesbepalende rol speelt (zonder verklaring is de spot painting zoals aangebracht op de muur geen kunstwerk). Echter, mijn inziens hoeft een rechter zich niet door de (eventuele) bedoelingen van Hirst te laten leiden en kan hij/zij de in de rechtspraak ontwikkelde werktoets toepassen op de “spot painting” zoals aangebracht op de muur.
Indien het doel van Jess en Roger Simpson is om (ooit nog) financieel voordeel te behalen met de in hun huis aangetroffen vroege “spot painting” acht ik het aan te bevelen dat ze de “spot painting” zo snel mogelijk weer in de oude staat brengen, hetgeen betekent dat de “spot painting” weer onderdeel wordt van het behang. Het lijkt mij niet dat Hirst op grond van zijn persoonlijkheidsrechten kan ageren tegen het aanwezig zijn van een niet overgeschilderde “spot painting” in het huis te Fulham (ook niet naar Engels recht dat –aldus wikipedia   – een minder vergaande regeling heeft aangaande persoonlijkheidsrechten dan het NL recht). Indien de “spot painting” op zijn oude plek blijft hangen kan Hirst ook niet betogen dat er sprake is van een nieuw exemplaar (waartegen hij op grond van zijn distributierecht had kunnen ageren). Het lijkt mij niet onwaarschijnlijk dat een Hirst liefhebber graag een paar pond meer over zal hebben voor het huis te Fulham met een vroege niet overgeschilderde “spot painting”.




woensdag 31 juli 2013

Foute Porsche 911, ongedaan maken van koop van een tweedehands auto op een (internet) veiling. Over non-conformiteit, consumentenkoop en dwaling. Of waarom APK een minimum garantie biedt.



Gekocht is gekocht?!


Al jaren ben ik gefascineerd door het ontwerp van de Porsche 911, en dan vooral het klassieke model (de tweede en derde generatie). Toen ik een  APK gekeurde 911 Targa uit 1974 op een online veiling te koop zag staan voor EUR 13.000,= dacht ik mijn kans schoon te zien. Ik bood, had het hoogste bod en mocht na betaling de auto afhalen. Prachtig geluid die luchtgekoelde motor, alleen wel raar dat het schakelen zo schokkerig verloopt. Binnen twee dagen na aankoop stond ik voor een stoplicht dat op groen stond, en dan weer op rood, en dan weer op groen, de eerste versnelling lag er uit. Gelukkig kwam een bijrijder op het goede idee om dan de tweede versnelling eens te proberen. Uiteindelijk is het gelukt om de auto in de tweede versnelling naar huis te rijden. Tja, wat dan?



Eerst maar eens bellen met versnellingsbakbedrijven. Een nieuwe versnelling zou toch al snel zo’n 3000 a 4000 euro kosten.



Om te kijken of het alleen gaat om een kapotte versnelling is de Porsche afgesleept naar een Porschecentrum en daar op de brug gezet en door een Porschemonteur gespecialiseerd in klassieke Porsches bekeken. Het eerste wat de monteur (tevens keurmeester) mij vertelde na een onderzoek is dat er nog veel aan de auto zou moeten gebeuren alvorens deze überhaupt door de APK zou komen. Toen ik de monteur vertelde dat de Porsche een maand geleden APK was goedgekeurd was de verbazing van zijn gezicht af te lezen.



De monteur constateerde dat het stuur speling heeft welke speling duidt op een kapotte kogellager, dit is op zich al voldoende om de Porsche af te keuren, aldus de monteur. Voorts bleek het stuurhuis beschadigd te zijn. Wanneer de voorwielen met de hand gedraaid worden (terwijl de Porsche op de brug staat) is te voelen en te horen dat het stuurhuis beschadigd is. Het rijden met een beschadigd stuurhuis is gevaarlijk. Reparatie van de stuurinrichting (inc. stuurhuis) kost tussen de 3 en 6 duizend euro. Het beschadigde stuurhuis is volgens de monteur een indicatie voor schade. De monteur heeft daarop de lak (in de Porsche) geïnspecteerd en geconstateerd dat de Porsche is overgespoten, hetgeen opnieuw een indicatie voor “schade” is. Voorts heeft de monteur de belijning van de voorklep van de Porsche bekeken. De monteur zag dat de klep iets “naar achteren” zit, en de lijnen van de voorkoplampen iets naar “binnen” lopen, volgens de monteur is dat een aanwijzing voor schade. Voorts viel het de monteur op dat de wagen op een aantal plaatsen onder de auto is “geplamuurd”, opnieuw een aanwijzing voor schade. Met schade bedoelde de monteur schade in de zin dat de auto een aanrijding heeft gehad.



Op enig moment vond ik in de auto onder de bijrijdersstoel een Registration Card” geldig van 2 feb. 2010 t/m 2 feb 2012, van het Department of Motor Vehicles ‘DMV” van Californië

Op de Registration card staat PR/HIS: SALVAGED. Onder “Salvaged” wordt in Californie, waar de auto vandaan komt, het volgende verstaan:



What's a Salvaged Vehicle?

California defines a salvaged vehicle as one that has been either totally destroyed or damaged beyond what the insurance company is willing to pay to fix it, so the owner never gets the vehicle repaired.



Al met al nogal een tegenvaller. Een tweedehands 911 gekocht met APK die na twee dagen met een kapotte versnellingsbak stilstaat en ook nog eens een (voormalige) total loss blijkt te zijn. Wat nu te doen?



Eigenlijk voelde ik mij gewoon weg bekocht. De monteur van het porschecentrum die de auto had bekeken vond het een wonder dat de auto uberhaupt door de APK was gekomen. Volgens hem was het absoluut niet veilig om met de auto aan het verkeer deel te nemen. Zo zat er bijvoorbeeld speling op het stuur, en was het stuurhuis beschadigd. Ook al zou ik de versnellingsbak laten repareren, daarmee zouden nog niet de tig andere bekende en onbekende problemen zijn opgelost. Daarbij een “gekraakt” chassis laat zich niet repareren vanwege microscopische scheurtjes waardoor de stijfheid voorgoed weg is.



Mogelijk koop occasion ongedaan te maken?




Ik wilde nog maar één ding en dat is de koop ongedaan maken. Maar hoe dat aan te pakken? Er zijn twee juridische leerstukken waarop je je als koper kunt beroepen om de koop ongedaan te maken. Dat zijn 1) non- conformiteit en 2) dwaling, waarbij dwaling weer uiteenvalt in eenzijdige en  wederzijdse dwaling.



Interessant is dat er een grote overlap tussen non-conformiteit en dwaling bestaat. Als er sprake is van dwaling dan is er vrijwel ook altijd sprake van non-conformiteit. Een vaak vergeten, maar effectief juridisch leerstuk is de wederzijdse dwaling. Hieronder een bespreking van de leerstukken.

          Juridisch kader


non-conformiteit 


IJkpunt bij non conformiteit is de verwachting die de koper op grond van de overeenkomst mocht hebben.



Verkoper heeft de auto verkocht door middel van een internetveiling. De veiling betreft geen executoriale veiling, maar een veiling namens zichzelf (de opdrachtgever van de veiling was een voor mij onbekende derde). De regeling van de non-conformiteit ( art. 7:17 BW e.v. ) is op een dergelijke veilingkoop onverkort van toepassing[1].


Bij consumentenkoop kan een beroep op non conformiteit niet worden uitgesloten


Ik kocht de auto als consument en het onderhavige geval was dan ook sprake van een consumentenkoop. Hetgeen, onder meer, betekent dat niet ten nadele van de consument van de dwingendrechtelijke bepaling van art. 7:17 BW e.v. afgeweken mag worden. Op grond van de dwingenrechtelijke bepaling van artikel 7:6 BW (consumentenkoop) mag een beroep op non –conformiteit niet tussen partijen worden uitgesloten.



Het voorgaande betekent dat indien de algemene voorwaarden van de online veiling (waar ik mee akkoord was gegaan) voorwaarden bevatten die ten voordele strekken van de online veiling en in strijd zijn met de dwingendrechtelijke regeling van de consumentenkoop deze voorwaarden ex artikel 3:40 lid 2 BW vernietigbaar zijn


Regeling consumentenkoop bevat een bewijsvermoeden ten gunste van de koper


Artikel 7:18 lid 2 BW bevat een bewijsvermoeden ten gunste van de verkoper:



Bij een consumentenkoop wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, indien de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daarten verzet.”



            Auto moet geschikt zijn voor normaal gebruik


Op grond van artikel 7:17 lid 2 BW mag een koper verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen.



Tijdstip openbaring gebrek aan de auto is van belang


In het algemeen is het moment waarop een gebrek zich openbaart, in bewijsrechtelijke zin van betekenis voor de vraag of de zaak bij aflevering aan de overeenkomst beantwoordde.



De Porsche die ik had gekocht had een geldige APK, die op het moment van aankoop een maand oud was.



Tot het normale gebruik van een auto behoort het feit dat een auto het doet en dat op een veilige manier in het verkeer kan worden deelgenomen. Het aanwezig zijn van een werkende versnellingsbak en de veiligheid zoals die door een APK keuring wordt gewaarborgd, zijn noodzakelijk voor normaal gebruik van de auto. Voornoemde eigenschappen mocht ik dan ook zonder onderzoek aan de auto verwachten.



Zoals gezegd heeft de versnellingsbak van de auto heeft het binnen 72 uur na aflevering begeven. Daarbij is door een Porschemonteur speling op het stuur geconstateerd, een kapot stuurhuis en blijkt de Porsche een total loss te zijn (geweest).



De auto bleek, anders dan ik op grond van de APK mocht verwachten, niet veilig –en zelfs gevaarlijk- te zijn, en daarmee ongeschikt voor normaal gebruik.



Nu de Porsche het binnen 72 uur na aflevering heeft begeven. Moet, gezien de korte tijdsduur, en overigens ook het bewijsvermoeden van art. 7:18 lid 2 BW, het er voor worden gehouden dat de Porsche al bij aflevering gebrekkig was, in die zin dat de auto bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde. Immers, van een Porsche met een niet werkende versnelling kan geen normaal gebruik worden gemaakt.



Normaal gebruik van de Porsche betekent ook dat op een veilige manier in het verkeer kan worden deelgenomen met de Porsche. In casu is door een monteur vastgesteld dat niet op een veilige manier aan het verkeer kan worden deelgenomen vanwege een gebrekkige stuurinrichting (schade aan het stuurhuis) en speling op het stuur. Voorts staat vast staat dat de Porsche een voormalige “Total Loss” auto betreft, die naar zijn aard niet veilig, en zelfs gevaarlijk, is.



Gezien de korte tijdsduur dat de onveilige zaken zijn ontdekt, het feit dat het een voormale total loss auto betreft, en overigens ook het bewijsvermoeden van art. 7:18 lid 2 BW, moet het er voor worden gehouden dat de auto bij aflevering op het punt van de veiligheid al reeds gebrekkig was, in die zin dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordde op het moment van afleveren. Immers, van een niet veilige –en zelfs gevaarlijke - Porsche kan geen normaal gebruik worden gemaakt.

-->

Herstel van de auto voor normaal gebruik niet mogelijk


Nu de Porsche een “schade” auto is, is herstel van de Porsche in een zodanige staat dat de auto normaal gebruikt kan worden onmogelijk. Zoals gezegd is het probleem bij “schade” auto’s dat gebreken zelfs voor een deskundige vrijwel niet zijn te ontdekken. Het voorgaande betekent dat ook al zou de verkoper bereid zijn de auto te repareren, nooit duidelijk zal zijn wat nu precies gerepareerd moet worden. De reparaties die in ieder geval vast staan bedragen tezamen al een bedrag van tussen de vijf en zeven duizend euro.




Buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst wegen non-conformiteit en dwaling




Nu  herstel van de auto onmogelijk is heb ik de overeenkomst met het online veilinghuis op grond van artikel 7:17 lid 2 BW jo. Artikel 7:22 lid 1 BW buitengerechtelijk ontbonden. Het veilinghuis is op grond van artikel 6:271 BW dan gehouden de ontvangen prestatie aan mij terug te betalen. Daarnaast heb ik de overeenkomst op grond van dwaling vernietigd, ook op die grond dient het veilinghuis de ontvangen prestatie (de aankoopprijs van de Porsche) terug te betalen. Hieronder meer over de dwaling.



Dwaling


Het ijkpunt van dwaling is een onjuiste voorstelling van zaken bij het sluiten van de overeenkomst.



Dwaling mag bij consumentkoop niet worden uitgesloten


Op grond van de dwingenrechtelijke bepaling van artikel 7:6 BW (consumentenkoop) mag een beroep op dwaling niet tussen partijen worden uitgesloten. Voorzover als de algemene voorwaarden van het online veilingbedrijf voorwaarden bevatten die ten voordele strekken het online veilingbedrijf  en in strijd zijn met de dwingendrechtelijke regeling van de consumentenkoop zijn bedoelde voorwaarden ex artikel 3:40 lid 2 vernietigbaar.



Dwaling


Artikel 6:228 BW regelt de dwaling. Volgens het eerste lid van artikel 6:228 BW kan een onjuiste voorstelling van zaken alleen dan aanleiding tot vernietiging geven, indien de overeenkomst onder invloed van die voorstelling is tot stand gekomen “en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten”. Er zijn drie gronden voor vernietiging van een overeenkomst op grond van dwaling:





a)    dwaling is te wijten aan een inlichting van het online veilinghuis, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;



b)    het online veilinghuis had in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende behoren in te lichten;



c)    indien het online veilinghuis bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven begrijpen te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.



Dwaling, te wijten aan inlichting van het online veilinghuis


 De overeenkomst tussen het online veilinghuis en mij is tot stand gekomen onder –kort gezegd- de volgende voorstelling van zaken door het online veilinghuis:

-       apk gekeurd

-       aantal kleine schades aan de lak

-       gebruikssporen


           Op grond van de inlichtingen verstrekt door het online veilinghuis, mocht ik  erop
           vertrouwen dat het online veilinghuis een rijdende, Porsche verkocht die voldoet aan
           de elementaire eisen van verkeersveiligheid. Zou de Porsche niet kunnen rijden en/of
           niet voldoen aan de elementaire eisen van verkeersveiligheid, dan had ik de Porsche
           uiteraard niet willen kopen. Naar nu blijkt rijdt de auto niet en voldoet de auto niet
           aan elementaire eisen van verkeersveiligheid en is het niet veilig om met de auto te
           rijden. Het feit dat de inlichtingen wellicht door het online veilinghuis te goeder trouw
           zijn verstrekt, staat niet aan een beroep op dwaling in de weg. 
 

Dwaling, schenden van een spreekplicht wederpartij

Het online veilinghuis is een professionele handelaar in tweede hands auto’s. Het online veilinghuis wist, of had behoren te weten dat de Porsche een “schade auto” is en niet aan de elementaire eisen voor veiligheid voldoet. In Californie (waaruit de auto is geïmporteerd) is het wettelijk verplicht te melden dat het om een schade auto gaat. Daarbij staat het feit dat het om een schade auto gaat vermeld op de “registration card”, er mag van uit worden gegaan dat de importeur bij het ”papierwerk” een recente “registration card” heeft aangetrofen en zo met de staat van de auto bekend is geworden. Ook is niet uitgesloten dat de Porsche in Nederland vanuit “total loss” staat is opgebouwd. Nu “schade” auto’s veel minder geld waard zijn, en bekend staan vanwege verborgen gebreken, had het online veilinghuis mij daaromtrent moeten inlichten.



Overigens had het online veilinghuis er voor kunnen kiezen haar opdrachtgever (degene die de auto in de veiling heeft ingebracht) bekend te maken. Het online veilinghuis was er dan “tussenuit” gevallen. In dit geval heeft het online veilinghuis daar niet voor gekozen. Het is goed mogelijk dat het online veilinghuis en de inbrenger van de auto contractueel zijn overeengekomen dat de identiteit van de inbrenger onder geen beding bekend zou worden gemaakt.



Wederzijdse dwaling, het online veilinghuis is bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als koper uitgegaan

Indien het online veilinghuis zelf onwetend was omtrent het feit dat de Porsche een “schade” auto is, met alle (verborgen) gebreken van dien, dan is er sprake van wederzijdse dwaling. Immers, het feit dat de Porsche een “schade” auto is zal ook voor wat het online veilinghuis betreft invloed hebben gehad op de inhoud van de overeenkomst. Immers, op de mogelijkheden van het online veilinghuis om de huidige prijs voor de auto te kunnen krijgen. Indien het online veilinghuis ermee bekend was dat het een “schade” auto betrof, dan had het online veilinghuis dat aan de (aspirant) koper medegedeeld. Deze informatie had mij doen besluiten de Porsche niet wilen kopen. Voor het online veilinghuis is kenbaar dat de omstandigheid waaronder werd gedwaald (wel/geen “schade” auto) voor de koper van essentieel belang was.



Bewijstechnisch is het beroep op wederzijdse dwaling zeer aantrekkelijk. Immers, het bewijs dat de schade/het gebrek invloed had op de te sluiten overeenkomst zal niet moeilijk te leveren zijn. Dat de verkoper zelf onwetend was aangaande de schade (hetgeen de verkoper vaak zal stellen) maakt bij wederzijdse dwaling niet uit. 



Internet veilinghuis accepteerde de ontbinding van de koopovereenkomst niet



Na het sturen van de ontbindingsbrief naar het veilinghuis, waarin ik ook mijn geld terug eiste hoorde ik een tijdje niets van het veilinghuis. Uiteindelijk kreeg ik de mededeling dat de kwestie “beoordeeld” zou worden. Niet lang daarna ontving ik een e-mail dat het veilinghuis niet akkoord ging met de ontbinding.  Volgens het veilinghuis stond in hun algemene voorwaarden dat ik de auto “voetstoots” had gekocht en dat het risico van de koop volledig bij mij lag. Daarop heb ik het veilinghuis gedagvaard bij de kantonrechter (dat kan voor een vordering < EUR 25.000,-. Daarop ontving ik bericht van het veilinghuis dat ze toch akkoord gingen met het ongedaan maken van de koop. Kennelijk voelde het veilinghuis (of de inbrenger van de auto) niet voor een rechtszaak.



Een paar weken later werd de Porsche weer opnieuw aangeboden door het veilinghuis. Nu wel met een andere beschrijving. Genoemd werd dat de Porsche APK was gekeurd, maar dat de auto technisch nog veel werk nodig had.



Interessant is de vraag in hoeverre een bepaling in de algemene voorwaarden zoals “voetstoots” bepaalt wat je als koper mag verwachten bij het kopen van bijvoorbeeld een auto. In de rechtspraak wordt er verschillend mee omgegaan. Er zijn zaken waarin een rechter oordeelde dat “voetstoots” betekent dat je als koper geen enkele verwachting van het gekochte mag hebben, en het risico volledig bij koper ligt. Er zijn ook zaken waarin is uitgemaakt dat het noemen van bijvoorbeeld APK of andere eigenschappen in de omschrijving van het te koop aangeboden product bepaalde minimum verwachtingen wekt.


[1] Hof Den Bosch 24 november 2009