vrijdag 30 maart 2012

Roy Lichtenstein inbreuk op auteursrecht? “appropriation art” en “fair use” in het Amerikaanse auteursrecht.



Roy Lichtenstein inbreuk op auteursrecht? “appropriation art” en “fair use” in het Amerikaanse auteursrecht.
Roy Lichtenstein, Image Duplicator 1963
Op 11 november 2011 bracht het werk”O ohh Allright”(1964) van de Amerikaanse “pop artist” Roy Lichtenstein (New York, 27 oktober 1923New York, 29 september 1997) bij een veiling bij Christies, New York, een recordbedrag op van 42,6 miljoen dollar, een record voor een werk van Lichtenstein.

Lichtenstein creëerde zijn schilderijen, althans de schilderijen uit de “comic book” serie door afbeeldingen uit strips over te tekenen op projector papier. Vervolgens projecteerde, en vergrootte hij de strip met een opaque projector, een voorloper van de overhead projector, op canvas. Vervolgens schilderde hij de strip sterk uitvergroot, en vaak iets vereenvoudigd, op het canvas. Het voorgaande roept, vanuit auteursrechtelijk perspectief bezien, de vraag op: “mag dat ?”.
Immers, het werk van Lichtenstein is –zo lijkt het op het eerste gezicht-  is niet meer dan een uitvergroting van een origineel frame uit een strip, hoogstwaarschijnlijk een auteursrechtelijk beschermd werk. 


Overigens geldt in Amerika een verjaringstermijn van drie jaar voor het aan de orde stellen van een auteursrechtinbreuk in civiele zaken (burgers en bedrijven onderling) en vijf jaar voor strafbare auteursrechtinbreuk. De zaak is dus al verjaard. 
Voor het schilderij “Ohh Allright” dat onlangs voor een recordopbrengst zorgde gebruikte Lichtenstein een afbeelding uit de strip “Secret Hearts”, van D.C. Comics # 88 uit Juni 1963. Hieronder het origineel en het werk van Lichtenstein.
D.C. Comics # 88 uit Juni 1963

Frame uit D.C. Comics # 88 uit Juni 1963

"Ooh Allright", Roy Lichtenstein, 1964

Wellicht het beroemdste schilderij van Lichtenstein is “Whaam!”, 1963 (Tate Modern London). Hieronder het origineel uit de strip “All American men of war” van D.C. Comics, 1962 #89 en daarnaast het werk van Lichtenstein
Cover van "All American men of war” van D.C. Comics #89, 1962 

Frame uit "All American men of war” van D.C. Comics, 1962 #89
"Whaam!", Roy Lichtenstein, 1963
De vraag zal naar Amerikaans auteursrecht beoordeeld moeten worden.
Naar Amerikaans recht rust er auteursrecht op: "original works of authorship fixed in any tangible medium of expression"(17 USC § 102). Het frame uit de “Secret Hearts” serie is een voldoende origineel werk om in aanmerking te komen voor auteursrecht.

Wie heeft het auteursrecht op de door Lichtenstein gebruikte frames?

Wie is eigenlijk die rechthebbende op de afbeelding? In beginsel liggen de auteursrechten bij de maker van een werk, in casu de striptekenaar. Zo is van de “Whaam!” afbeelding bekend dat deze door Jerry Gandenetti (1926-2010) is getekend.
In beginsel is de maker van een werk auteursrechthebbende. In het onderhavige geval de striptekenaar. Een uitzondering op die hoofdregel is “work for hire”. Bij ‘work for hire” heeft een striptekenaar in dienst of in opdracht van een studio/uitgever de strip vervaardigd. De auteursrechten komen dan onder Amerikaans recht toe aan de uitgever/studio.
Bij werken vervaardigd voor 1966 speelt nog de kwestie of het auteursrecht wel tijdig verlengd is. In de Verenigde Staten diende auteursrechten op een werk elke 28 jaar verlengd te worden. Sinds de Copyright Renewal Act of 1992 uit 1992 worden de auteursrechten automatisch verlengd (tot maximaal 95 jaar). Dit betekent dat het auteursrecht op werken welke voor 1966 vervaardigd zijn, vervallen kan zijn. Het frame is uit een strip van 1963. Uit onderzoek op de website http://www.copyright.gov/records/ blijkt dat de auteursrechten tijdig vernieuwd is en dat D.C. Comics Inc. de auteursrechthebbende is.   

Het is wonderlijk dat in het claimgrage Amerika D.C. Comics voor zover bekend geen actie heeft ondernomen op basis van haar auteursrecht jegens Roy Lichtenstein (nu de Roy Lichtenstein Foundation). De financieel belangen zijn groot. De royalties die de Lichtenstein Foundation ontvangt van posters, mokken, schoenen, tassen en shirts met daarop schilderijen van Lichtenstein zullen in de miljoenen dollars per jaar lopen.
Niet uitgesloten kan worden dat op enig moment er wel een regeling is getroffen tussen D.C. Comics en Lichtenstein, maar dat daarover geheimhouding is afgesproken.
De vraag is nu of D.C. Comics met succes, op basis van haar auteursrecht, zou kunnen optreden tegen Lichtenstein.
Vast staat dat 1) het “frame” een auteursrechtelijk beschermd werk is  2) D.C. Comics auteursrechthebbende van het frame is en 3) Er  een “substantial similarity” bestaat tussen het “frame” en het werk van Lichtenstein.
Voor wat betreft de “substantial similarity” is het voldoende dat “de gewone man” het werk als een kopie zou herkennen (aangenomen dat de gewone man bekend is met het originele frame). Het voorgaande zou in beginsel voldoende zijn om inbreuk op het auteursrecht van D.C. Comics door Lichtenstein aan te nemen. In beginsel want  Lichtenstein zou zich kunnen verweren door zich op “fair use” te beroepen.
De Amerikaanse “fair use” doctrine houdt in dat auteursrechtelijk beschermde werken in een aantal gevallen, voornamelijk in het algemeen belang, zonder toestemming van de rechthebbende gebruikt mogen worden. De gedachte is dan dat het gebruik geen geweld doet aan de belangen van de auteursrechthebbende. Vaak gaat het om het bekritiseren van het auteursrechtelijk beschermde werk, verslag doen over een auteursrechtelijk beschermd werk of gebruik in het onderwijs. De “fair use” doctrine zorgt er voor dat –en dat is in Amerika belangrijk- “the right of free speech” zoals gegarandeerd bij het “First Amandment” gewaarborgd wordt.

De factoren voor "fair use"

Om een gebruik als "fair" te laten kwalificeren, moeten de volgende factoren worden geanalyseerd:
1.     Het doel en karakter van het gebruik, inclusief de vraag of het gebruik commercieel is of educatief en non-profit;
2.     De aard van het beschermde werk;
3.     De omvang en het belang van het overgenomen deel in verhouding tot het beschermde werk als geheel; en
4.     Het effect van het gebruik op de potentiële markt voor of waarde van het beschermde werk.
De interpretatie van deze vier factoren wordt bepaald door eerdere rechtspraak in vergelijkbare gevallen. De kwestie wordt beoordeeld naar huidig recht, en niet naar de stand van het Amerikaanse recht in 1964 (het jaar dat Lichtenstein het werk schilderde). Voor de beantwoording van de vraag of het gebruik door Lichtenstein als “Fair Use” valt te kwalificeren is het antwoord op de eerste vraag, nu het gaat om de vraag naar de toelaatbaarheid van "appropriation art", het belangrijkst.  
De volgende drie zaken bieden een belangrijk richtsnoer.

Rogers v. Koons (1992)

In Rogers vs. Koons klaagde Art Rogers, een fotograaf, de kunstenaar Jeff Koons aan vanwege inbreuk op zijn auteursrecht. Rogers had een zwart/wit foto gemaakt van een man en een vrouw met in hun armen puppies. De foto werd gebruikt voor wenskaarten en andere “merchandise”. Koons zag de foto op een wenskaart en wilde van de foto een sculptuur maken om de banaliteit van alledaagse voorwerpen aan de kaak te stellen. Koons liet zijn assistenten een sculptuur vervaardigen, genaamd “String of puppies” met zoveel mogelijk detail (afgeleid van de foto) als mogelijk. Koons verkocht uiteindelijk drie sculpturen voor een bedrag van  $367,000.
Koons gaf toe de foto als basis voor de sculptuur gebruik te hebben, maar beriep zich op “fair use by parody.” De rechtbank vond dat er tussen de sculptuur van Koons en de foto van Rogers “substantial similarity” bestond. Met andere woorden de foto en de sculptuur leken zoveel op elkaar dat er –in beginsel- sprake is van auteursrecht inbreuk. Vervolgens diende de rechtbank te beoordelen of er wellicht sprake was van een toelaatbare parodie als “fair use”. De rechtbank wees het parodie argument van Koons af.
De rechtbank oordeelde dat als Koons een parodie van het type kunst (zoals gemaakt door Rogers) had willen maken, Koons dat had kunnen doen zonder het specifieke werk van Rogers te gebruiken. Koons leverde met zijn kunstwerk geen specifiek commentaar op het werk van Rogers, het kopiëren van het werk van Rogers viel daarom, aldus de rechtbank, niet onder de “fair use/parody” exceptie. Koons heeft een schadevergoeding aan Rogers moeten betalen en hem één van de in totaal vier exemplaren van de “sting of puppies” moeten geven.
Rogers "Puppies"
Koons "String of Puppies"

Mattel, Inc. v. Walking Mountain Prods (2004)

Thomas Forsythe, een Amerikaanse fotograaf, maakte in 1997 een serie foto’s genaamd “Food Chain Barbie”. In de serie worden naakte Barbie poppen aangevallen door keukenmachines. Forsyth creëerde de serie onder meer om kritiek te leveren op de objectificatie van vrouwen geassocieerd met Barbie. Forsythe bracht onder meer kaarten op de markt van de “Food Chain Barbie” serie. De website van Forsythe bevatte een statement van Forsythe waarin hij kritiek leverde op Barbie. In totaal verdiende Forsythe $3,659 aan de “Food Chain Barbie” serie. Mattel Inc. klaagde Forsythe aan voor onder meer inbreuk op auteursrecht.
Mattel verloor de zaak. De rechtbank stelde vast dat Mattel in advertenties voor Barbie, Barbie neerzetten als de ideale Amerikaanse vrouw en als een symbool voor Amerikaanse meisjes. De rechtbank stelde vast dat gezien het commentaar dat Forsythe beoogde met de fotoserie op het Barbie fenomeen, de fotoserie als een parodie kwalificeert. De winst die Forsythe met de foto’s maakte deed volgens de rechtbank niet af aan de parodie gezien de grote kwaliteit van de fotoserie als parodie. De rechtbank veroordeelde Mattel tot het betalen van ca. 1.5 miljoen dollar aan advocaat kosten en 241 duizend dollar aan kosten aan Forsythe.
Thom Forsythe "Food Chain Barbie"
Thom Forsythe "Food Chain Barbie"

Cariou v. Prince (18 maart 2011) (hoger beroep ingesteld)

Fotograaf Patrick Cariou publiceerde in 2000 een boek met foto’s van Jamaicaanse rastafari’s (gepubliceerd door PowerHouse Press). De “appropriation arist” Richard Prince maakte tussen December 2007 en februari 2008 een aantal werken waarvoor hij in totaal 41 foto’s van Cariou gebruikte. Zo plakt Prince bijvoorbeeld een electrische gitaar op een foto van Cariou. Prince noemde de  door hem vervaardigde serie werken “Canal Zone.” De  Gagosian Gallery (Manhattan, NY) stelde de “Canal Zone” werken tentoon en publiceerde een catalogus met daarin de “Canal Zone” werken. Cariou klaagde zowel Prince als de Gagosian Gallery aan vanwege auteursrechtinbreuk.

De zaak draait om het “fair use” verweer van Prince en Gagosian. In het goed gemotiveerde vonnis van rechter Deborah Batts worden alle factoren die een rol spelen bij “fair use” gewogen.

Prince is door de rechter bevraagd over wat hij met de “Canal Zone” werken beoogde. Prince zei daarover: “The message is to make great art that makes people feel good.”

Prince veliest de zaak. Belangrijk in het vonnis is dat de rechtbank opmerkt:

“If the infringement of copyrightable expression could be justified as fair use solely on the basis of the infringer’s claim to a higher or different artistic use...there would be no practicable boundary to the fair use defense.”

Volgens de rechtbank wilde Prince met het gebruik van de foto’s, vanuit het perspectief van Prince, een hogere artistieke waarde aan de foto’s van Cariou geven. Zou echter het willen geven van een hogere artistieke waarde aan een bepaalde (auteursrechtelijke beschermde) foto de toetssteen zijn voor het honoreren van “fair use”, dan zou dit betekenen dat alle “appropriaton art” altijd is toegestaan, aldus de rechtbank. Elke “appropriation artist” beroept zich immers op “de kunst” als rechtvaardiging. Waar het volgens de rechtbank om gaat is dat –wil er sprake zijn van een toegestaan gebruik van auteursrechtelijk beschermde werken in appropriation art- het nieuwe werk commentaar of kritiek levert, of op een andere manier de betekenis van de originele foto’s wijzigt. Daarmee direct verwijzend naar de hiervoor genoemde zaak Rogers vs. Koons.

De achterliggende redenering van de rechtbank is dat Prince om zijn punt te kunnen maken niet noodzakelijkerwijs de foto’s van Cariou nodig had. Het ging Prince er niet om, om specifiek commentaar te leveren op de foto’s van Cariou. De rechtbank oordeelde daarom dat het dan ook niet nodig (in de zin van “fair use” ) was om de foto’s van Cariou te gebruiken. Prince had bij wijze van spreken ook zelf foto’s van Rasta’s kunnen nemen en die kunnen gebruiken, of de rechten voor het gebruik van de foto’s van Cariou kunnen afkopen (indien Cariou daarmee had ingestemd, hetgeen hem overigens niet door Prince vooraf is gevraagd).

Opvallend aan deze zaak is ook dat de galerie schuldig wordt bevonden aan auteursrechtinbreuk. De galerie verkocht acht “Canal Zone’ werken voor in totaal 10.5 miljoen dollar. De rechtbank oordeelde dat Prince de nog niet verkochte werken diende te vernietigen en dat aan de kopers van de werken een brief gestuurd moet worden dat ze de werken niet tentoon mogen stellen.

Door Prince is hoger beroep ingesteld.

Links het origineel van Cariou, rechts uit de serie "Canal Zone" van Prince


Lichtenstein en “fair use”

Wat betekent het voorgaande nu voor het gebruik van Lichtenstein van een auteursrechtelijk beschermd frame uit een stripboek?
Hieronder een aantal quotes van Lichtenstein die iets verraden over zijn bedoeling met het overschilderen van de frames:

“In America the biggest is the best.

"The closer my work is to the original, the more threatening and critical the content. However, my work is entirely transformed in that my purpose and perception are entirely different. I think my paintings are critically transformed, but it would be difficult to prove it by any rational line of argument"
"I think my work is different from comic strips- but I wouldn't call it transformation; I don't think that whatever is meant by it is important to art".

Conclusie

Mijn inziens is het niet aannemelijk dat Lichtenstein met het vrijwel overschilderen van een frame uit een strip specifiek commentaar wilde leveren op het originele frame. Als dat al zijn bedoeling was, dan blijkt dat niet uit het schilderij. Het was ten tijde van het schilderen van, onder meer, Ooh Allright” niet zo bekend dat Lichtenstein originele frames voor zijn werk gebruikte. Uiteraard is het aan de auteursrechthebbende om al dan niet een punt van een (vermeende) inbreuk te maken. Kennelijk heeft D.C. Comics Inc. het goed gevonden dat Lichtenstein het frame gebruikte.

Ten slotte

Dat Lichtenstein zich wellicht niet al te veel aan het auteursrecht stoorde wil nog niet zeggen dat de Lichtenstein foundation, die waakt over de artistieke  nalatenschap van Roy Lichtenstein, makkelijk denkt over een vermeende auteursrechtinbreuk. In 2008 bracht de Amerikaanse band Elsinore de plaat “Yes Yes Yes” uit met de volgende hoes:

Inderdaad een hoes die aan het werk van Lichtenstein (Kiss V) doet denken. De Lichtenstein foundation stuurde daarop een e-mail naar Elsinore waarin Elsinore van auteursrechtinbreuk werd beticht. Kennelijk is de Lichtenstein foundation van mening dat Lichtenstein het auteursrecht op een auteursrechtelijk beschermd frame heeft verkregen door het over te schilderen. De band verweerde zich door te stellen dat een vriendin van de band, Brittany Pyle, de albumhoes had aangeleverd. Brittany Pyle, een kunststudente, had in een les over “appropriation art” in opdracht van haar professor, hetzelfde frame gebruikt als welke Lichtenstein had gebruikt. Hetgeen tot een vergelijkbaar resultaat leidde. Oordeel zelf of het aannemelijk is dat Brittany Pyle zich op het originele frame heeft gebaseerd, of op het schilderij van Lichtenstein. De Lichtenstein foundation zag in ieder geval af van juridische stappen.

Quirijn Meijnen

Afbeelding "deconstructing Roy Lichtenstein van David Barsalou











zaterdag 2 juli 2011

Fake or Fortune, nieuwe BBC serie over (valse) kunst



Homer, children under a palmtree



“It’s a very powerfull painting”

Lenny Kravitz zong al “It ain’t over till its over”. In het recht is het niet anders. Pas als het schilderij weer op de juiste plek hangt of het geld op de bank staat kun je zeggen het is voorbij, alhoewel er soms dan nog van alles kan gebeuren.

De BBC is onlangs de serie "Fake or Fortune" gestart. De enige overeenkomst met het Nederlandse “Tussen Kunst & Kitsch” is dat er een mogelijk meesterwerk op een rommelmarkt of garageverkoop ontdekt wordt. Voor de rest gaat elke vergelijking mank.

Fake or Fortune is niets minder dan kunstgeschiedenis, emo tv en een juridische thriller ineen. Het programma neemt je mee naar de veilingzaal van Sotheby’s in New York, kunst experts, oude adel, advocaten en mensen die op een vuilnisbelt een aquarel vinden die mogelijk tonnen waard blijkt te zijn.

Deze serie maakt weer eens duidelijk dat niets is wat het lijkt en als het om veel geld of kunst gaat, het altijd spannend is tot het einde. De eerste aflevering gaat over het schilderij "Children under a palmtree" van de Amerikaanse schilder Homer (hierboven afgebeeld).

De serie is te zien via de BBC website en natuurlijk op de BBC
De BBC website werkt alleen met een UK ip adres. Door een proxy server te gebruiken is het mogelijk om een UK ip adres te krijgen.

(spoiler warning)
Meer informatie over het schilderij "Children under a Palmtree" van Homer is hier op wikipedia te vinden.

Amsterdam, 2 juli 2011

Quirijn Meijnen
Advocaat

maandag 9 mei 2011

"Ze is natuurlijk Katja Schuurman niet"

Foto: Liam Tickner, uit het boek "London 2008" www.liamtickner.com


Journaliste Dieuwertje Mertens (www.dieuwertjemertens.nl) interviewde mij voor de kunstbijlage van Het Parool d.d. 3 mei 2011 aangaande portretrecht en kunst. Onderwerp van gesprek was een boek van kunstenaar Liam Tickner over een galeriemedewerkster die tijdens een Londense kunstbeurs door hem, in het geheim, met zijn mobiele telefoon werd gefotografeerd. Het artikel is te lezen op de site van Liam Tickner www.liamtickner.com

Quirijn Meijnen

dinsdag 5 april 2011

Auteursrecht voor architecten



Ontstaan en werking van het auteursrecht, afbeelden van gebouwen in openbare plaatsen en de omgang met de opdrachtgever

Onlangs gaf ik het vak auteursrecht voor architecten op de Academie van Bouwkunst (Amsterdamse Hoge School voor de kunsten) aan aankomende architecten. Hieronder de aantekeningen voor het college als blogpost.

Foto Rafael van der Linden
















Inleiding
Bij het sluiten van een overeenkomst tussen architect en opdrachtgever is een belangrijk punt de omgang met het auteursrecht en de persoonlijkheidsrechten. In deze blogpost wordt kort het ontstaan en de werking van deze rechten uiteengezet. Daarbij wordt aandacht besteed aan de regeling ten aanzien van het afbeelden van werken (gebouwen) in openbare plaatsen. Na de uiteenzetting volgt een lijst met aandachtspunten die van pas komen bij het sluiten van een overeenkomst met een opdrachtgever.

De inhoud van het auteursrecht

Artikel 1 Auteurswet (Aw) geeft een definitie van het auteursrecht:

“Het auteursrecht is het uitsluitend recht van de maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld”

Het auteursrecht is een uitsluitend recht en als zodanig vergelijkbaar met het eigendomsrecht. Wie bijvoorbeeld een gebouw wil bouwen aan de hand van een ontwerptekening heeft daarvoor als regel toestemming nodig van de auteursrechthebbende van de ontwerptekening. Dat kan de auteur (architect) zelf zijn of iemand op wie zijn recht is overgegaan, want net als eigendom kan auteursrecht worden overgedragen en gaat het over op de erfgenamen.

De auteur kan zijn toestemming verlenen op de voorwaarden die hem goeddunken; hij kan haar ook weigeren. Het auteursrecht laat zich goed omschrijven als een “verbodsrecht”: binnen de grenzen van het recht is alles, waarvoor de auteur geen toestemming heeft verleend, verboden. Het auteursrecht geldt 70 jaar na het overlijden van de maker.

Ontstaan van het auteursrecht
Het auteursrecht ontstaat van rechtswege, zonder formaliteiten, door het enkele scheppen van het werk. Het werk hoeft niet voltooid te zijn; concepten, schetsen, en dergelijke zijn evenzeer beschermd, mits ze voldoen aan de aan een object van auteursrecht te stellen eisen.

De werktoets
Zoals hieronder deels weergegeven bevat de Auteurswet wel een opsomming van werksoorten (bijv. teken- en schilderwerken) maar geeft de Auteurswet geen algemene criteria waaraan werken getoetst kunnen worden. Sinds 1985  gebruikt de Hoge Raad de volgende formulering: “(…)vereist is dat het werk een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt(…)” (HR 29 november 1985, NJ 1987, 880, BIE 1986, nr. 15 p. 55 (Screenoprints / Citroën)) . De toets wordt in het algemeen aangeduid als: “de werktoets”.

In de praktijk kan men voor de vraag of een werk een eigen karakter heeft de volgende vuistregel hanteren: is denkbaar dat twee auteurs, onafhankelijk van elkaar, exact hetzelfde werk maken? Als dit uitgesloten moet worden geacht is het vermoeden gerechtvaardigd dat het aan die eis voldoet. In de woorden “persoonlijk stempel” ligt besloten dat het werk het resultaat moet zijn van menselijk scheppen.

De werken waarop auteursrecht bestaat
Artikel 10 Auteurswet bevat een niet limitatieve opsomming van een aantal verschillende categorieën werken in de zin van de Auteurswet. De voor de architect belangrijkste categorieën zijn  artikel 10 lid 1 onder 6 Aw: “teken-, schilder-, bouw- en beeldhouwwerken, lithografieën, graveer- en andere plaatwerken” en artikel 10 lid 1 onder 8 Aw: “ontwerpen, schetsen en plastische werken, betrekkelijk tot de bouwkunde, de aardrijkskunde, de plaatsbeschrijving of andere wetenschappen;”

“teken-, schilder-, bouw- en beeldhouwwerken, lithografieën, graveer- en andere plaatwerken” (artikel 10 lid 1 onder 6 Aw)
De Auteurswet heeft bouwwerken (architectuur) uitdrukkelijk onder het bereik van de Auteurswet laten vallen. Wel zullen de bouwwerken aan de hiervoor besproken werktoets moeten voldoen. Bouwwerken voldoen vanwege hun inherente complexiteit echter al snel aan de werktoets. In dit verband is wel van belang dat voor vormgeving die duidelijk functioneel bepaald is, voor technische vondsten, voor toepassing van bepaalde (nieuwe) materialen, of voor vormgeving die voortvloeit uit bouwvoorschriften van de overheid,  in beginsel geen auteursrechtelijke bescherming kan worden verkregen.

“ontwerpen, schetsen en plastische werken, betrekkelijk tot de bouwkunde, de aardrijkskunde, de plaatsbeschrijving of andere wetenschappen;” (artikel 10 lid 1 onder 8 Aw)
Met deze rubriek heeft de Auteurswet tweedimensionale (werk-) tekeningen of ontwerpschetsen, en driedimensionale modellen of maquettes op het oog. Voor de architect van belang is dat het technisch natekenen (twee dimensionaal) van een door de Auteurswet beschermd en door de architect ontworpen bouwwerk (drie dimensionaal) wordt aangemerkt als een verveelvoudiging. Met andere woorden degene die het gebouw technisch wil natekenen heeft daarvoor toestemming van de architect nodig. Ook geldt dat degene die op basis van een tweedimensionale door de architect vervaardigde bouwtekening (of op basis van een maquette) een gebouw wil bouwen daarvoor toestemming van de architect nodig heeft.

Makerschap
Volgens artikel 1 Auteurswet is het auteursrecht “(…) het uitsluitend recht van de maker van een werk (…) of van diens rechtverkrijgenden”. Het auteursrecht ontstaat dus bij de maker en wel door de enkele scheppingsdaad. Indien er meerdere personen bij het maken van een werk betrokken zijn (zoals bij het ontwerpen van een gebouw vaak het geval zal zijn) rijzen er een aantal vragen omtrent het makerschap. In geval van “teamwork” kan er al spoedig sprake zijn van makerschap van meer dan een persoon, met alle complicaties van dien. De belangrijkste bepalingen aangaande makerschap zijn  art.4 (bewijsregel) art. 5 Aw (verzamelwerken), art. 6 Aw (ontwerp, leiding en toezicht; teamwork) en art. 7 Aw (werkgeversauteursrecht). Het voert nu te ver om genoemde artikelen apart te behandelen.

Art. 7 Werkgeversauteursrecht
Van belang is dat de architect (of de rechtsvorm waarin hij zijn beroep uitoefent) er voor zorg draagt altijd in de arbeidsovereenkomst met zijn werknemers op te nemen dat het vervaardigen van bouwkundige werken uitdrukkelijk tot de taak van de werknemer behoort. Zodoende wordt op grond van art.7 Aw de werkgever als maker van de door werknemer vervaardigde bouwkundige werken aangemerkt.

Overdracht auteursrecht
Voorts is het van belang dat de architect bij het inschakelen van “Free Lancers” of andere derden er voor zorgt dat deze derden een overeenkomst tekenen op grond waarvan zij eventuele auteursrechten die zij in het kader van de door de architect verstrekte opdracht mogelijk verkrijgen worden overgedragen aan de architect en dat deze derden (voorzover mogelijk) afstand doen van hun persoonlijkheidsrechten.

Het auteursrecht als exploitatierecht
Het auteursrecht heeft betrekking op handelingen waardoor een werk toegankelijk gemaakt kan worden. De auteurswet duidt deze handelingen aan als “openbaarmaken” en “verveelvoudigen”. Deze rechten worden tezamen aangeduid als “exploitatierechten”. De exploitatierechten stellen de auteur (architect) in staat om baat te trekken uit zijn werk.

Verlenen van toestemming
De architect exploiteert zijn werk door aan anderen, tegen betaling, toestemming te verlenen om openbaarmakings- en / of verveelvoudigingshandelingen (bijv. toestemming tot het uitvoeren van een ontwerp) te verrichten.
Het verlenen van bedoelde toestemming (bijv. voor gebruik van een ontwerp voor een te bouwen villa) kan ook impliciet door een architect worden verleend. Zo zal bij het accepteren door een architect van het ontwerpen van een villa de opdrachtgever er (in ieder geval na betaling) vanuit mogen gaan dat hij het uiteindelijke ontwerp ook mag gebruiken voor het bouwen van een villa. Echter, om onduidelijkheden te vermijden verdient het aanbeveling om nauwkeurig te omschrijven voor welke vorm van exploitatie de architect toestemming geeft.

Overdracht auteursrecht
De architect kan zijn auteursrecht ook exploiteren door het auteursrecht (en daarmee de exploitatierechten) geheel of gedeeltelijk over te dragen en daar een vergoeding voor te vragen. Een overdracht van auteursrecht kan  alleen middels een schriftelijke akte. Een overdracht van auteursrecht is vrijwel nooit in het belang van de architect omdat hij daarmee de controle over de exploitatie van zijn ontwerp verliest.

De persoonlijkheidsrechten

In een belangrijk opzicht is de definitie van artikel 1 Auteurswet onvolledig.
Naast de exploitatierechten ( de openbaarmakings- en verveelvoudigingsrechten) heeft de auteur ook zgn. persoonlijkheidsrechten. De exploitatierechten zijn aan de auteur toegekend met primair het oog op diens zakelijke belangen. De persoonlijkheidsrechten zien daarentegen op de aanspraken die de auteur kan maken ten aanzien van de integriteit van zijn werk, en van zichzelf als maker van dat werk. De persoonlijkheidsrechten zijn gebaseerd op de persoonlijke band die tussen de auteur en zijn werk bestaat. De wetgever heeft die band willen beschermen, ook als de exploitatie van het werk “zijn eigen weg is gegaan” (bijvoorbeeld door overdracht van het auteursrecht of licentieverlening). De persoonlijkheidsrechten worden algemeen niet overdraagbaar geacht, in tegenstelling tot de exploitatierechten. Wel zijn de persoonlijkheidsrechten deels vatbaar voor afstand. Persoonlijkheidsrechten worden ook vaak als morele rechten aangeduid.

Inhoud van de persoonlijkheidsrechten
De auteur behoudt de persoonlijkheidsrechten ook na overdracht van auteursrecht, de persoonlijkheidsrechten zijn dus niet mede in zo’n overdracht betrokken. De persoonlijkheidsrechten zijn geregeld in art. 25 Auteurswet en zijn de volgende:

-       het recht op naamsvermelding, van dit recht is afstand door de auteur mogelijk (art. 25 Aw lid 1 sub a);
-       het recht van de auteur zich te verzetten tegen vermelding van andermans naam op het werk, afstand van dit recht is niet mogelijk (art. 25 Aw lid 1 sub b);
-       het recht van de auteur zich te verzetten tegen wijzigingen door anderen in de titel (lid 1 sub b) of het werk (lid 1 sub c), behoudens een redelijkheidcorrectie. De auteur kan afstand doen van dit recht; en
-       het recht van de auteur zich te verzetten tegen misvorming, verminking of andere aantasting (lid 1 sub d) van het werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de goede naam van de maker. Van dit recht kan de auteur geen afstand doen.

Is sloop van een gebouw een “aantasting” van het werk?
Een interessante vraag voor architecten is of de totale vernietiging van een auteursrechtelijk beschermd gebouw een 'aantasting' is waartegen de auteur zich op grond van artikel 25 lid 1 sub d Auteurswet kan verzetten. De Hoge Raad heeft over die vraag op 6 februari 2004 een duidelijke uitspraak gedaan. Het ging om de voorgenomen sloop van het Wavin-gebouw van architect Jelles. De Hoge Raad oordeelde dat totale vernietiging  geen 'aantasting' is waar een architect zich tegen kan verzetten. Dat betekent niet dat een eigenaar die een pand wil slopen helemaal geen rekening hoeft te houden met de belangen van de architect. Onder omstandigheden zou sloop misbruik van recht of een onrechtmatige daad kunnen opleveren, bijvoorbeeld als er voor de sloop geen gerechtvaardigde belangen bestaan. Van de eigenaar die wil gaan slopen wordt voorts verwacht dat hij zich de gerechtvaardigde belangen van de maker ten minste in zoverre aantrekt dat hij er desgevraagd voor zorg draagt het bouwwerk behoorlijk te (laten) documenteren.

Persoonlijkheidsrechten en nabestaanden
De persoonlijkheidsrechten vererven niet, en zijn ook niet toegekend aan nabestaanden. De persoonlijkheidsrechten kunnen slechts toekomen aan door de auteur bij testament of codicil aangewezenen (waarbij aanwijzing aan rechtspersoon of stichting mogelijk is) (art. 25 Aw lid 2 en lid 4).

Werken in openbare plaatsen; art. 18 Aw

Artikel 18 Auteurswet luidt als volgt:

“Als inbreuk op het auteursrecht op een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 6°, of op een werk, betrekkelijk tot de bouwkunde als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 8°, dat is gemaakt om permanent in openbare plaatsen te worden geplaatst, wordt niet beschouwd de verveelvoudiging of openbaarmaking van afbeeldingen van het werk zoals het zich aldaar bevindt. Waar het betreft het overnemen in een compilatiewerk, mag van dezelfde maker niet meer worden overgenomen dan enkele van zijn werken.”

Artikel 18 Aw houdt een beperking in ten aanzien van werken van architectuur en ten aanzien van werken van beeldende kunst, zoals omschreven in art. 10 lid 1 onder 6 Aw. Zijn deze werken gemaakt om permanent in openbare plaatsen te worden geplaatst dan is verveelvoudiging en openbaarmaking (exploitatie) zonder toestemming  van de architect toegestaan van afbeeldingen van het werk zoals het zich aldaar bevindt. Normaal is dat de architect voor elke vorm van exploitatie van zijn werk toestemming dient te verlenen, art. 18 Aw vormt daarop een uitzondering.
In de praktijk betekent dit voor een architect dat hij zich niet kan verzetten tegen afbeelding van een door hem ontworpen gebouw in de context van zijn omgeving. Oftewel: zoals het werk herkenbaar deel uitmaakt van het straat- of stadsbeeld. De bepaling staat dus niet toe dat het werk onafhankelijk van die context wordt geëxploiteerd. Zo mag bijvoorbeeld een bedrijf zijn onder architectuur gebouwde hoofdkantoor niet op zijn briefpapier zetten, indien de rechten bij de architect liggen.

Belangrijk is dat art. 18 ziet op een afbeelding van het werk. Hiermee wordt een tweedimensionale weergave bedoeld. De bepaling is niet van toepassing op driedimensionale verveelvoudigingen, in de vorm van bijv. maquettes of op schaal gemaakte reproducties.

Aandachtspunten bij het sluiten van een overeenkomst architect - opdrachtgever

Uiteraard is een overeenkomst de uitkomst van een onderhandeling. Echter, voor het succesvol voeren van onderhandelingen is het van belang de betekenis te doorgronden van voorgestelde bepalingen. Veelal zijn voor de architect ongunstige bepalingen versluierd geredigeerd. Het verdient dan ook aanbeveling een overeenkomst aandachtig door te nemen. De auteurs- en persoonlijkheidsrechten zijn in een overeenkomst vaak (maar niet altijd) terug te vinden onder de kopjes “Intellectuele Eigendomsrechten” , “Eigendoms- en auteursrechten van de architect”, “Auteursrechten”. 

De hierna volgende punten verdienen bijzondere aandacht.

-       Overdracht auteursrecht

De architect doet er goed aan zijn auteursrecht niet over te dragen. Zodoende behoudt de architect zelf de exploitatierechten.

-        Het verlenen van toestemming tot het gebruik van het werk

De architect wordt in het algemeen primair ingeschakeld om een gebouw te ontwerpen. Uiteraard wil de opdrachtgever het ontwerp kunnen gebruiken. Het verdient aanbeveling alleen toestemming te verlenen aan de opdrachtgever tot het eenmalig uitvoeren van het ontwerp. De opdrachtgever zal wellicht bedingen dat de architect het ontwerp niet nogmaals (door een andere partij) mag laten uitvoeren. Het lijkt mij dat de architect daar in beginsel mee akkoord gaat. Het is natuurlijk ook in het belang van de architect dat een ontwerp exclusief blijft en niet op verschillende plaatsen wordt uitgevoerd.

Handig is om het verlenen van toestemming afhankelijk te maken van volledige betaling van het honorarium van de architect. Zodoende levert het niet betalen, maar wel gebruiken van een ontwerp door de opdrachtgever, een auteursrechtinbreuk door de opdrachtgever op.

-       Verlenen van toestemming om afbeeldingen van het gebouw te gebruiken in brochures, op briefpapier, in reclame-uitingen, etc.

In beginsel is het in het belang van de architect zelf zoveel mogelijk exploitatierechten aangaande het ontwerp te houden. Indien toestemming is gegeven voor het uitvoeren van het ontwerp, dan is dat ook het enige gebruik van het ontwerp waar toestemming voor is verleend. Het verlenen van toestemming wordt beperkt (in het voordeel van de architect) uitgelegd.

Een voorbeeld: Architect Van Berkel kan optreden tegen bijv. t-shirts met daarop (alleen) de Erasmusbrug afgebeeld omdat hij de gemeente Rotterdam geen toestemming heeft gegeven afbeeldingen van de Erasmusbrug te exploiteren en het auteursrecht van de Erasmusbrug ook niet heeft overgedragen aan de gemeente Rotterdam. Architect Van Berkel heeft dus zelf (en hij alleen) het recht t-shirts met daarop (alleen) de afbeelding van de Erasmusbrug te verkopen. T-shirts met daarop de Erasmusbrug in zijn stedelijke context zouden overigens waarschijnlijk wel zonder toestemming van Van Berkel verkocht mogen worden, dit ingevolge art. 18 Aw.

Het verdient aanbeveling om voor het verlenen van toestemming (bijv. voor het gebruiken van een afbeelding van het gebouw op briefpapier ) altijd een vergoeding te vragen. Voorts verdient het aanbeveling de toestemming zo beperkt mogelijk te formuleren.

Overigens is het natuurlijk goed mogelijk dat een architect niet zelf zijn ontwerp volledig wil exploiteren. In zo’n geval kan het commercieel interessant zijn wel toestemming te verlenen voor bijv. het verkopen door de opdrachtgever van ansichtkaarten met afbeeldingen van het ontworpen gebouw. In zo’n geval verdient het aanbeveling om alleen toestemming te verlenen onder bepaalde voorwaarden (bijv. niet exclusief, tegen een vergoeding, voor een bepaalde tijd, bepaalde oplage, bepaalde kwaliteit, etc.).

-       Afstand doen van persoonlijkheidsrechten

Het verdient aanbeveling nooit afstand te doen van het recht op naamsvermelding en het recht van de architect zich te verzetten tegen wijzigingen in het werk.

Uiteraard wil de architect erkend worden als maker van een bepaald gebouw. Het recht op naamsvermelding zorgt voor die erkenning. Het is voor de architect van belang om controle te houden over het gehelen ontwerp. Afstand doen van het recht zich te verzetten tegen wijzigingen in het werk is daarom in beginsel niet gewenst. Overigens kan de architect zich niet verzetten tegen een wijziging indien dat verzet in strijd zou zijn met de redelijkheid.

-       Inschakelen van derden bij het maken van een ontwerp

De Auteurswet gaat er in beginsel vanuit dat het auteursrecht op een werk “automatisch” bij de maker ligt. In de praktijk kan dit – indien er meerdere makers zijn - voor problemen zorgen. Schakelt een architect bijvoorbeeld een kunstenaar in om deuren te ontwerpen voor een gebouw dat de architect ontwerpt, dan heeft de kunstenaar een auteursrecht op de door hem ontworpen deuren. Dit betekent dat de kunstenaar in het voorbeeld steeds toestemming moet geven voor het gebruik van die deuren door de architect. Om problemen te voorkomen verdient het aanbeveling het auteursrecht van de kunstenaar overgedragen te krijgen. Zoals gezegd is voor een overdracht auteursrecht een schriftelijke akte nodig. Kortom het verdient aanbeveling om als architect niet alleen zorgvuldig te kijken naar de overeenkomst die met de opdrachtgever wordt gesloten, maar ook naar de overeenkomsten die worden gesloten met derden die werk verrichten gerelateerd aan het ontwerp van de architect.


Amsterdam, april 2011
Quirijn Meijnen
Advocaat

woensdag 9 maart 2011

Domeinnaam gekaapt? Over handelsnamen en domeinnamen

Stel: uw bedrijf doet al jaren zaken onder de naam "kwekerij de Roos". U wantrouwde het internet. U zag uw klanten op de veiling en als u ze daar niet zag wisten ze u wel per telefoon te vinden. Bovendien staat de naam " Kwekerij de Roos" op vrachtwagens die door heel Europa rijden. Een website en een domeinnaam vond u daarom niet zo nodig. Totdat u "uit de markt"  hoort dat u met een wel hele scherpe aanbieding op het internet staat.

U laat een medewerker www.kwekerijderoos.nl intikken en ziet een mooie website, met inderdaad erg scherpe aanbiedingen. Echter, het bedrijf is niet uw bedrijf, maar het bedrijf van een uw welbekende concurrent. Deze concurrent blijkt een groot aantal domeinnamen van succesvolle kwekers (die zelf nog niet online zijn) geregistreerd te hebben en te gebruiken.

Ergens wel slim zou je kunnen zeggen want uw klanten die u op het internet zoeken toetsen "www.kwekerijderoos.nl"  in in de veronderstelling bij u terechtkomen. Dat zij vervolgens bij uw concurrent terecht komen, valt ze misschien in het geheel niet op. De vraag is nu: mag dit? Mag uw concurrent de naam die u al jaren voor uw onderneming voert als domeinnaam registreren en gebruiken? Kunt u tegen dit gebruik optreden?, en kunt u die domeinnaam opeisen om de domeinnaam zelf te gebruiken?

Uitgangspunt is dat het relevante publiek- uw potentiële klanten- niet in verwarring mogen geraken over de onderneming met wie zij zaken (gaan) doen. Onwenselijk is dat een bloemeninkoper meent met u zaken te doen, maar in feite zaken blijkt te doen met uw concurrent. In het recht wordt dit "verwarringsgevaar" genoemd. Om verwarringsgevaar tegen te gaan heeft de wetgever bepaalt dat ondernemingen die in dezelfde branche werkzaam zijn en in hetzelfde geografische gebied opereren niet dezelfde, of met elkaar overeenstemmende handelsnamen mogen voeren. Dit nu om verwarring tussen de ondernemingen bij de consument tegen te gaan.

Het voorgaande is uitgewerkt in de Handelsnaamwet. Voor het krijgen van een recht op een handelsnaam dient u vrij consequent de betreffende naam als naam van uw onderneming te voeren. In het hierboven weergegeven voorbeeld stond de naam " kwekerijderoos"  op vrachtwagens, in het telefoonboek en op het briefpapier van de kwekerij. Duidelijk is dat " het publiek"  de kwekerij kent, en herkend, door de naam "kwekerij de roos" .De naam " kwekerij de roos"  komt dan ook bescherming toe als handelsnaam. Bij handelsnamen geldt dat bij een conflict tussen twee gelijke of overeenstemmende handelsnaam, de oudste handelsnaam voor gaat. Dat is logisch omdat de oudere handelsnaam een bepaalde bekendheid heeft opgebouwd, waardoor het publiek de onderneming die gevoerd wordt onder de jongere handelsnaam, zal verwarren met de onderneming die de handelsnaam al langer voert.

Terug naar de vraag. Kan "kwekerij de roos" nu optreden tegen de registratie en gebruik van de domeinnaam www.kwekerijderoos.nl ?

Als dit soort zaken bij de rechter komen, veelal in een kort geding procedure, vraag de rechter zich vaak of de domeinnaam als handelsnaam wordt gebruikt. In ons voorbeeld hangt het er vanaf of de domeinnaam www.kwekerijderoos.nl gekoppeld is aan een website waarop producten worden aangeboden die de "echte"  kwekerij de roos ook aanbiedt. Wordt de domeinnaam gebruikt ter aanduiding van de bedrijfsactiviteiten van een onderneming? Van belang is om de informatie die de website geeft, te bezien in combinatie met de domeinnaam. Indien de website een bedrijfsmatig karakter heeft, wordt al vrij snel door een rechter aangenomen dat de domeinnaam ook als handelsnaam gebruikt wordt.

Komt de rechter tot de constatering dat de domeinnaam als handelsnaam gebruikt wordt, dan is dat slecht nieuws voor degene die dacht slim te zijn door een al bestaande handelsnaam als domeinnaam te registreren. Het gebruik van de domeinnaam zal dan door de rechter verboden worden en veelal dient de domein te worden overgedragen aan de (rechtmatige)houder van de handelsnaam. Dat is in ons voorbeeld " kwekerij de roos" , die die naam al jaren op vrachtwagens en op zijn briefpapier voert.


In de praktijk wil het nog wel eens voorkomen dat een domeinnaam niet direct aan een website is gelinkt, maar " doorklinkt"  naar een andere domeinnaam. U moet zich dit als volgt voorstellen. U typt de domeinnaam www.kwekerijderoos.nl in uw browser in, de naam www.kwekerijderoos.nl verspringt vrijwel onmiddellijk in bijvoorbeeld www.kwekerijdeconcurrent.nl. In zo'n geval oordeelt een rechter veelal dat er geen sprake is van handelsnaamgebruik. De domeinnaam "www.kwekerijderoos.nl wordt dan niet gebruikt als naam van een onderneming. Kwekerijderoos die met lede ogen ziet hoe " haar"  naam wordt gebruikt om bezoekers naar de website van een concurrent te leiden, , kan dan niet op grond van het Handelsnaamrecht optreden. Echter, kwekerijde roos hoeft niet helemaal bij de pakken neer te gaan zitten.

De domeinnaam www.kwekerijderoos.nl vertoont zoveel gelijkenis met de handelsnaam kwekerij de roos, de namen zijn identiek, dat het niet ondenkbeeldig is dat het publiek, op zoek naar kwekerij de roos, de domeinnaam www.kwekerijderoos.nl intypt. Indien wordt aangenomen dat dat de concurrent van kwekerij de roos de domeinnaam www.kwekerijderoos.nl slechts gebruikt om zoveel mogelijk internetverkeer (traffic) naar haar eigen website te leiden, en zo aanhaakt bij de bekendheid en reputatie van kwekerij de roos, kan deze handelswijze in strijd met de eerlijke mededinging worden geacht, en daardoor onrechtmatig zijn. Veel domeinnaamkapers zeggen dat bij doorlinken van verwarring geen sprake zou (kunnen) zijn. Dit omdat op de website meteen duidelijk wordt dat het, zoals in ons geval, niet om kwekerij de roos gaat, maar om een -duidelijk genoemd- ander bedrijf. Rechters gaan vaak niet mee in dit verhaal van domeinnaamkapers. Consumenten kunnen doordat een -voor hun bekende- naam als domeinnaam wordt gebruikt door een bepaald bedrijf toch menen dat het andere bedrijf (wiens naam als domeinnaam wordt gebruikt) gelieerd is aan het bedrijf waarnaar de domeinnaam doorlinkt. wordt vaak niet door een rechter geloofd. Een dergelijke handelwijze kan in strijd zijn met de eerlijke mededinging, en daardoor onrechtmatig zijn. Waar het uiteindelijk om gaat is of het publiek door gebruik van de aanduiding kwekerijderoos als domeinnaam nodeloos in verwarring wordt gebracht, het hoeft dan niet te gaan om directe verwarring tussen ondernemingen, zoals vereist in het handelsnaamrecht. 

Wellicht begint u het nu een beetje te duizelen. Het laatste punt -geen inbreuk op handelsnaamrecht, toch onrechtmatig- is inderdaad nogal juridisch. Van belang is dat als het evident is dat iemand wil meeliften op uw bekendheid en reputatie door uw bedrijfsnaam te gebruiken in een domeinnaam, de rechter dit vaak onrechtmatig acht, ook in het geval de concurrent die naam niet meteen als handelsnaam voor zijn onderneming gebruikt. Als er geen sprake is van inbreuk op uw handelsnaam, wordt het veelal onrechtmatig geoordeeld doordat het gebruik van de naam van uw bedrijf door een ander verwarrend is voor de consument.

Uiteindelijk is voorkomen beter dan genezen. Checkt u dus vooral of u alle domeinnamen die u wenst, wel in bezit heeft. En denkt u er vooral aan om bij het opstarten van een nieuwe onderneming meteen de bijbehorende domeinnaam te registreren.

Quirijn Meijnen
advocaat



woensdag 9 februari 2011

Erven Geesink eisen EUR 50.000,= van cabaratier Van Muiswinkel wegens schenden portretrecht



De Telegraaf berichtte dat cabaratier Erik van Muiswinkel een factuur had ontvangen van EUR 50.000,= van de erven van wijlen Anton Geesink. De grondslag voor de factuur zou het schenden van het portretrecht van Anton Geesink door Van Muiswinkel zijn.

Over de kwestie werd ik door de Wereldomroep geinterviewd. Mij lijkt de claim van de erven kansloos. Het typetje van Van Muiswinkel is een duidelijke parodie. Waar moet het met ons land naar toe als er geen grappen meer mogen worden gemaakt?!

Het interview is hier te beluisteren, vanaf minuut 14

Wat er ook allemaal van zij, Geesink blijft een absolute held. Hieronder mooie beelden in kleur van Tokyo '64