woensdag 31 juli 2013

Foute Porsche 911, ongedaan maken van koop van een tweedehands auto op een (internet) veiling. Over non-conformiteit, consumentenkoop en dwaling. Of waarom APK een minimum garantie biedt.



Gekocht is gekocht?!


Al jaren ben ik gefascineerd door het ontwerp van de Porsche 911, en dan vooral het klassieke model (de tweede en derde generatie). Toen ik een  APK gekeurde 911 Targa uit 1974 op een online veiling te koop zag staan voor EUR 13.000,= dacht ik mijn kans schoon te zien. Ik bood, had het hoogste bod en mocht na betaling de auto afhalen. Prachtig geluid die luchtgekoelde motor, alleen wel raar dat het schakelen zo schokkerig verloopt. Binnen twee dagen na aankoop stond ik voor een stoplicht dat op groen stond, en dan weer op rood, en dan weer op groen, de eerste versnelling lag er uit. Gelukkig kwam een bijrijder op het goede idee om dan de tweede versnelling eens te proberen. Uiteindelijk is het gelukt om de auto in de tweede versnelling naar huis te rijden. Tja, wat dan?



Eerst maar eens bellen met versnellingsbakbedrijven. Een nieuwe versnelling zou toch al snel zo’n 3000 a 4000 euro kosten.



Om te kijken of het alleen gaat om een kapotte versnelling is de Porsche afgesleept naar een Porschecentrum en daar op de brug gezet en door een Porschemonteur gespecialiseerd in klassieke Porsches bekeken. Het eerste wat de monteur (tevens keurmeester) mij vertelde na een onderzoek is dat er nog veel aan de auto zou moeten gebeuren alvorens deze überhaupt door de APK zou komen. Toen ik de monteur vertelde dat de Porsche een maand geleden APK was goedgekeurd was de verbazing van zijn gezicht af te lezen.



De monteur constateerde dat het stuur speling heeft welke speling duidt op een kapotte kogellager, dit is op zich al voldoende om de Porsche af te keuren, aldus de monteur. Voorts bleek het stuurhuis beschadigd te zijn. Wanneer de voorwielen met de hand gedraaid worden (terwijl de Porsche op de brug staat) is te voelen en te horen dat het stuurhuis beschadigd is. Het rijden met een beschadigd stuurhuis is gevaarlijk. Reparatie van de stuurinrichting (inc. stuurhuis) kost tussen de 3 en 6 duizend euro. Het beschadigde stuurhuis is volgens de monteur een indicatie voor schade. De monteur heeft daarop de lak (in de Porsche) geïnspecteerd en geconstateerd dat de Porsche is overgespoten, hetgeen opnieuw een indicatie voor “schade” is. Voorts heeft de monteur de belijning van de voorklep van de Porsche bekeken. De monteur zag dat de klep iets “naar achteren” zit, en de lijnen van de voorkoplampen iets naar “binnen” lopen, volgens de monteur is dat een aanwijzing voor schade. Voorts viel het de monteur op dat de wagen op een aantal plaatsen onder de auto is “geplamuurd”, opnieuw een aanwijzing voor schade. Met schade bedoelde de monteur schade in de zin dat de auto een aanrijding heeft gehad.



Op enig moment vond ik in de auto onder de bijrijdersstoel een Registration Card” geldig van 2 feb. 2010 t/m 2 feb 2012, van het Department of Motor Vehicles ‘DMV” van Californië

Op de Registration card staat PR/HIS: SALVAGED. Onder “Salvaged” wordt in Californie, waar de auto vandaan komt, het volgende verstaan:



What's a Salvaged Vehicle?

California defines a salvaged vehicle as one that has been either totally destroyed or damaged beyond what the insurance company is willing to pay to fix it, so the owner never gets the vehicle repaired.



Al met al nogal een tegenvaller. Een tweedehands 911 gekocht met APK die na twee dagen met een kapotte versnellingsbak stilstaat en ook nog eens een (voormalige) total loss blijkt te zijn. Wat nu te doen?



Eigenlijk voelde ik mij gewoon weg bekocht. De monteur van het porschecentrum die de auto had bekeken vond het een wonder dat de auto uberhaupt door de APK was gekomen. Volgens hem was het absoluut niet veilig om met de auto aan het verkeer deel te nemen. Zo zat er bijvoorbeeld speling op het stuur, en was het stuurhuis beschadigd. Ook al zou ik de versnellingsbak laten repareren, daarmee zouden nog niet de tig andere bekende en onbekende problemen zijn opgelost. Daarbij een “gekraakt” chassis laat zich niet repareren vanwege microscopische scheurtjes waardoor de stijfheid voorgoed weg is.



Mogelijk koop occasion ongedaan te maken?




Ik wilde nog maar één ding en dat is de koop ongedaan maken. Maar hoe dat aan te pakken? Er zijn twee juridische leerstukken waarop je je als koper kunt beroepen om de koop ongedaan te maken. Dat zijn 1) non- conformiteit en 2) dwaling, waarbij dwaling weer uiteenvalt in eenzijdige en  wederzijdse dwaling.



Interessant is dat er een grote overlap tussen non-conformiteit en dwaling bestaat. Als er sprake is van dwaling dan is er vrijwel ook altijd sprake van non-conformiteit. Een vaak vergeten, maar effectief juridisch leerstuk is de wederzijdse dwaling. Hieronder een bespreking van de leerstukken.

          Juridisch kader


non-conformiteit 


IJkpunt bij non conformiteit is de verwachting die de koper op grond van de overeenkomst mocht hebben.



Verkoper heeft de auto verkocht door middel van een internetveiling. De veiling betreft geen executoriale veiling, maar een veiling namens zichzelf (de opdrachtgever van de veiling was een voor mij onbekende derde). De regeling van de non-conformiteit ( art. 7:17 BW e.v. ) is op een dergelijke veilingkoop onverkort van toepassing[1].


Bij consumentenkoop kan een beroep op non conformiteit niet worden uitgesloten


Ik kocht de auto als consument en het onderhavige geval was dan ook sprake van een consumentenkoop. Hetgeen, onder meer, betekent dat niet ten nadele van de consument van de dwingendrechtelijke bepaling van art. 7:17 BW e.v. afgeweken mag worden. Op grond van de dwingenrechtelijke bepaling van artikel 7:6 BW (consumentenkoop) mag een beroep op non –conformiteit niet tussen partijen worden uitgesloten.



Het voorgaande betekent dat indien de algemene voorwaarden van de online veiling (waar ik mee akkoord was gegaan) voorwaarden bevatten die ten voordele strekken van de online veiling en in strijd zijn met de dwingendrechtelijke regeling van de consumentenkoop deze voorwaarden ex artikel 3:40 lid 2 BW vernietigbaar zijn


Regeling consumentenkoop bevat een bewijsvermoeden ten gunste van de koper


Artikel 7:18 lid 2 BW bevat een bewijsvermoeden ten gunste van de verkoper:



Bij een consumentenkoop wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, indien de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daarten verzet.”



            Auto moet geschikt zijn voor normaal gebruik


Op grond van artikel 7:17 lid 2 BW mag een koper verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen.



Tijdstip openbaring gebrek aan de auto is van belang


In het algemeen is het moment waarop een gebrek zich openbaart, in bewijsrechtelijke zin van betekenis voor de vraag of de zaak bij aflevering aan de overeenkomst beantwoordde.



De Porsche die ik had gekocht had een geldige APK, die op het moment van aankoop een maand oud was.



Tot het normale gebruik van een auto behoort het feit dat een auto het doet en dat op een veilige manier in het verkeer kan worden deelgenomen. Het aanwezig zijn van een werkende versnellingsbak en de veiligheid zoals die door een APK keuring wordt gewaarborgd, zijn noodzakelijk voor normaal gebruik van de auto. Voornoemde eigenschappen mocht ik dan ook zonder onderzoek aan de auto verwachten.



Zoals gezegd heeft de versnellingsbak van de auto heeft het binnen 72 uur na aflevering begeven. Daarbij is door een Porschemonteur speling op het stuur geconstateerd, een kapot stuurhuis en blijkt de Porsche een total loss te zijn (geweest).



De auto bleek, anders dan ik op grond van de APK mocht verwachten, niet veilig –en zelfs gevaarlijk- te zijn, en daarmee ongeschikt voor normaal gebruik.



Nu de Porsche het binnen 72 uur na aflevering heeft begeven. Moet, gezien de korte tijdsduur, en overigens ook het bewijsvermoeden van art. 7:18 lid 2 BW, het er voor worden gehouden dat de Porsche al bij aflevering gebrekkig was, in die zin dat de auto bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde. Immers, van een Porsche met een niet werkende versnelling kan geen normaal gebruik worden gemaakt.



Normaal gebruik van de Porsche betekent ook dat op een veilige manier in het verkeer kan worden deelgenomen met de Porsche. In casu is door een monteur vastgesteld dat niet op een veilige manier aan het verkeer kan worden deelgenomen vanwege een gebrekkige stuurinrichting (schade aan het stuurhuis) en speling op het stuur. Voorts staat vast staat dat de Porsche een voormalige “Total Loss” auto betreft, die naar zijn aard niet veilig, en zelfs gevaarlijk, is.



Gezien de korte tijdsduur dat de onveilige zaken zijn ontdekt, het feit dat het een voormale total loss auto betreft, en overigens ook het bewijsvermoeden van art. 7:18 lid 2 BW, moet het er voor worden gehouden dat de auto bij aflevering op het punt van de veiligheid al reeds gebrekkig was, in die zin dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordde op het moment van afleveren. Immers, van een niet veilige –en zelfs gevaarlijke - Porsche kan geen normaal gebruik worden gemaakt.

-->

Herstel van de auto voor normaal gebruik niet mogelijk


Nu de Porsche een “schade” auto is, is herstel van de Porsche in een zodanige staat dat de auto normaal gebruikt kan worden onmogelijk. Zoals gezegd is het probleem bij “schade” auto’s dat gebreken zelfs voor een deskundige vrijwel niet zijn te ontdekken. Het voorgaande betekent dat ook al zou de verkoper bereid zijn de auto te repareren, nooit duidelijk zal zijn wat nu precies gerepareerd moet worden. De reparaties die in ieder geval vast staan bedragen tezamen al een bedrag van tussen de vijf en zeven duizend euro.




Buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst wegen non-conformiteit en dwaling




Nu  herstel van de auto onmogelijk is heb ik de overeenkomst met het online veilinghuis op grond van artikel 7:17 lid 2 BW jo. Artikel 7:22 lid 1 BW buitengerechtelijk ontbonden. Het veilinghuis is op grond van artikel 6:271 BW dan gehouden de ontvangen prestatie aan mij terug te betalen. Daarnaast heb ik de overeenkomst op grond van dwaling vernietigd, ook op die grond dient het veilinghuis de ontvangen prestatie (de aankoopprijs van de Porsche) terug te betalen. Hieronder meer over de dwaling.



Dwaling


Het ijkpunt van dwaling is een onjuiste voorstelling van zaken bij het sluiten van de overeenkomst.



Dwaling mag bij consumentkoop niet worden uitgesloten


Op grond van de dwingenrechtelijke bepaling van artikel 7:6 BW (consumentenkoop) mag een beroep op dwaling niet tussen partijen worden uitgesloten. Voorzover als de algemene voorwaarden van het online veilingbedrijf voorwaarden bevatten die ten voordele strekken het online veilingbedrijf  en in strijd zijn met de dwingendrechtelijke regeling van de consumentenkoop zijn bedoelde voorwaarden ex artikel 3:40 lid 2 vernietigbaar.



Dwaling


Artikel 6:228 BW regelt de dwaling. Volgens het eerste lid van artikel 6:228 BW kan een onjuiste voorstelling van zaken alleen dan aanleiding tot vernietiging geven, indien de overeenkomst onder invloed van die voorstelling is tot stand gekomen “en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten”. Er zijn drie gronden voor vernietiging van een overeenkomst op grond van dwaling:





a)    dwaling is te wijten aan een inlichting van het online veilinghuis, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;



b)    het online veilinghuis had in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende behoren in te lichten;



c)    indien het online veilinghuis bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven begrijpen te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.



Dwaling, te wijten aan inlichting van het online veilinghuis


 De overeenkomst tussen het online veilinghuis en mij is tot stand gekomen onder –kort gezegd- de volgende voorstelling van zaken door het online veilinghuis:

-       apk gekeurd

-       aantal kleine schades aan de lak

-       gebruikssporen


           Op grond van de inlichtingen verstrekt door het online veilinghuis, mocht ik  erop
           vertrouwen dat het online veilinghuis een rijdende, Porsche verkocht die voldoet aan
           de elementaire eisen van verkeersveiligheid. Zou de Porsche niet kunnen rijden en/of
           niet voldoen aan de elementaire eisen van verkeersveiligheid, dan had ik de Porsche
           uiteraard niet willen kopen. Naar nu blijkt rijdt de auto niet en voldoet de auto niet
           aan elementaire eisen van verkeersveiligheid en is het niet veilig om met de auto te
           rijden. Het feit dat de inlichtingen wellicht door het online veilinghuis te goeder trouw
           zijn verstrekt, staat niet aan een beroep op dwaling in de weg. 
 

Dwaling, schenden van een spreekplicht wederpartij

Het online veilinghuis is een professionele handelaar in tweede hands auto’s. Het online veilinghuis wist, of had behoren te weten dat de Porsche een “schade auto” is en niet aan de elementaire eisen voor veiligheid voldoet. In Californie (waaruit de auto is geïmporteerd) is het wettelijk verplicht te melden dat het om een schade auto gaat. Daarbij staat het feit dat het om een schade auto gaat vermeld op de “registration card”, er mag van uit worden gegaan dat de importeur bij het ”papierwerk” een recente “registration card” heeft aangetrofen en zo met de staat van de auto bekend is geworden. Ook is niet uitgesloten dat de Porsche in Nederland vanuit “total loss” staat is opgebouwd. Nu “schade” auto’s veel minder geld waard zijn, en bekend staan vanwege verborgen gebreken, had het online veilinghuis mij daaromtrent moeten inlichten.



Overigens had het online veilinghuis er voor kunnen kiezen haar opdrachtgever (degene die de auto in de veiling heeft ingebracht) bekend te maken. Het online veilinghuis was er dan “tussenuit” gevallen. In dit geval heeft het online veilinghuis daar niet voor gekozen. Het is goed mogelijk dat het online veilinghuis en de inbrenger van de auto contractueel zijn overeengekomen dat de identiteit van de inbrenger onder geen beding bekend zou worden gemaakt.



Wederzijdse dwaling, het online veilinghuis is bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als koper uitgegaan

Indien het online veilinghuis zelf onwetend was omtrent het feit dat de Porsche een “schade” auto is, met alle (verborgen) gebreken van dien, dan is er sprake van wederzijdse dwaling. Immers, het feit dat de Porsche een “schade” auto is zal ook voor wat het online veilinghuis betreft invloed hebben gehad op de inhoud van de overeenkomst. Immers, op de mogelijkheden van het online veilinghuis om de huidige prijs voor de auto te kunnen krijgen. Indien het online veilinghuis ermee bekend was dat het een “schade” auto betrof, dan had het online veilinghuis dat aan de (aspirant) koper medegedeeld. Deze informatie had mij doen besluiten de Porsche niet wilen kopen. Voor het online veilinghuis is kenbaar dat de omstandigheid waaronder werd gedwaald (wel/geen “schade” auto) voor de koper van essentieel belang was.



Bewijstechnisch is het beroep op wederzijdse dwaling zeer aantrekkelijk. Immers, het bewijs dat de schade/het gebrek invloed had op de te sluiten overeenkomst zal niet moeilijk te leveren zijn. Dat de verkoper zelf onwetend was aangaande de schade (hetgeen de verkoper vaak zal stellen) maakt bij wederzijdse dwaling niet uit. 



Internet veilinghuis accepteerde de ontbinding van de koopovereenkomst niet



Na het sturen van de ontbindingsbrief naar het veilinghuis, waarin ik ook mijn geld terug eiste hoorde ik een tijdje niets van het veilinghuis. Uiteindelijk kreeg ik de mededeling dat de kwestie “beoordeeld” zou worden. Niet lang daarna ontving ik een e-mail dat het veilinghuis niet akkoord ging met de ontbinding.  Volgens het veilinghuis stond in hun algemene voorwaarden dat ik de auto “voetstoots” had gekocht en dat het risico van de koop volledig bij mij lag. Daarop heb ik het veilinghuis gedagvaard bij de kantonrechter (dat kan voor een vordering < EUR 25.000,-. Daarop ontving ik bericht van het veilinghuis dat ze toch akkoord gingen met het ongedaan maken van de koop. Kennelijk voelde het veilinghuis (of de inbrenger van de auto) niet voor een rechtszaak.



Een paar weken later werd de Porsche weer opnieuw aangeboden door het veilinghuis. Nu wel met een andere beschrijving. Genoemd werd dat de Porsche APK was gekeurd, maar dat de auto technisch nog veel werk nodig had.



Interessant is de vraag in hoeverre een bepaling in de algemene voorwaarden zoals “voetstoots” bepaalt wat je als koper mag verwachten bij het kopen van bijvoorbeeld een auto. In de rechtspraak wordt er verschillend mee omgegaan. Er zijn zaken waarin een rechter oordeelde dat “voetstoots” betekent dat je als koper geen enkele verwachting van het gekochte mag hebben, en het risico volledig bij koper ligt. Er zijn ook zaken waarin is uitgemaakt dat het noemen van bijvoorbeeld APK of andere eigenschappen in de omschrijving van het te koop aangeboden product bepaalde minimum verwachtingen wekt.


[1] Hof Den Bosch 24 november 2009


maandag 14 mei 2012

Facebook naar de beurs




Het succes van Facebook is fenomenaal. Al eerder schreef ik over het ontstaan van Facebook, de ruzies tussen de investeerders van het eerste uur en Zuckerberg.

Facebook, het succes en de rechtszaken

Vandaag is het dan zover en gaat Facebook naar de beurs. Werd Facebook ten tijde van mijn artikel uit november 2010 nog gewaardeerd op 30 miljard dollar, inmiddels is dat 100 tot 110 miljard.

Hier een filmpje over hoe de Facebook IPO in zijn werk gaat:

Facebook IPO

De grote vraag is natuurlijk of het Facebook aandeel zijn waarde kan vasthouden. Interessant is in ieder geval is dat de enige partij die precies weet hoe succesvol Facebook is, Facebook zelf is.

vrijdag 30 maart 2012

Roy Lichtenstein inbreuk op auteursrecht? “appropriation art” en “fair use” in het Amerikaanse auteursrecht.



Roy Lichtenstein inbreuk op auteursrecht? “appropriation art” en “fair use” in het Amerikaanse auteursrecht.
Roy Lichtenstein, Image Duplicator 1963
Op 11 november 2011 bracht het werk”O ohh Allright”(1964) van de Amerikaanse “pop artist” Roy Lichtenstein (New York, 27 oktober 1923New York, 29 september 1997) bij een veiling bij Christies, New York, een recordbedrag op van 42,6 miljoen dollar, een record voor een werk van Lichtenstein.

Lichtenstein creëerde zijn schilderijen, althans de schilderijen uit de “comic book” serie door afbeeldingen uit strips over te tekenen op projector papier. Vervolgens projecteerde, en vergrootte hij de strip met een opaque projector, een voorloper van de overhead projector, op canvas. Vervolgens schilderde hij de strip sterk uitvergroot, en vaak iets vereenvoudigd, op het canvas. Het voorgaande roept, vanuit auteursrechtelijk perspectief bezien, de vraag op: “mag dat ?”.
Immers, het werk van Lichtenstein is –zo lijkt het op het eerste gezicht-  is niet meer dan een uitvergroting van een origineel frame uit een strip, hoogstwaarschijnlijk een auteursrechtelijk beschermd werk. 


Overigens geldt in Amerika een verjaringstermijn van drie jaar voor het aan de orde stellen van een auteursrechtinbreuk in civiele zaken (burgers en bedrijven onderling) en vijf jaar voor strafbare auteursrechtinbreuk. De zaak is dus al verjaard. 
Voor het schilderij “Ohh Allright” dat onlangs voor een recordopbrengst zorgde gebruikte Lichtenstein een afbeelding uit de strip “Secret Hearts”, van D.C. Comics # 88 uit Juni 1963. Hieronder het origineel en het werk van Lichtenstein.
D.C. Comics # 88 uit Juni 1963

Frame uit D.C. Comics # 88 uit Juni 1963

"Ooh Allright", Roy Lichtenstein, 1964

Wellicht het beroemdste schilderij van Lichtenstein is “Whaam!”, 1963 (Tate Modern London). Hieronder het origineel uit de strip “All American men of war” van D.C. Comics, 1962 #89 en daarnaast het werk van Lichtenstein
Cover van "All American men of war” van D.C. Comics #89, 1962 

Frame uit "All American men of war” van D.C. Comics, 1962 #89
"Whaam!", Roy Lichtenstein, 1963
De vraag zal naar Amerikaans auteursrecht beoordeeld moeten worden.
Naar Amerikaans recht rust er auteursrecht op: "original works of authorship fixed in any tangible medium of expression"(17 USC § 102). Het frame uit de “Secret Hearts” serie is een voldoende origineel werk om in aanmerking te komen voor auteursrecht.

Wie heeft het auteursrecht op de door Lichtenstein gebruikte frames?

Wie is eigenlijk die rechthebbende op de afbeelding? In beginsel liggen de auteursrechten bij de maker van een werk, in casu de striptekenaar. Zo is van de “Whaam!” afbeelding bekend dat deze door Jerry Gandenetti (1926-2010) is getekend.
In beginsel is de maker van een werk auteursrechthebbende. In het onderhavige geval de striptekenaar. Een uitzondering op die hoofdregel is “work for hire”. Bij ‘work for hire” heeft een striptekenaar in dienst of in opdracht van een studio/uitgever de strip vervaardigd. De auteursrechten komen dan onder Amerikaans recht toe aan de uitgever/studio.
Bij werken vervaardigd voor 1966 speelt nog de kwestie of het auteursrecht wel tijdig verlengd is. In de Verenigde Staten diende auteursrechten op een werk elke 28 jaar verlengd te worden. Sinds de Copyright Renewal Act of 1992 uit 1992 worden de auteursrechten automatisch verlengd (tot maximaal 95 jaar). Dit betekent dat het auteursrecht op werken welke voor 1966 vervaardigd zijn, vervallen kan zijn. Het frame is uit een strip van 1963. Uit onderzoek op de website http://www.copyright.gov/records/ blijkt dat de auteursrechten tijdig vernieuwd is en dat D.C. Comics Inc. de auteursrechthebbende is.   

Het is wonderlijk dat in het claimgrage Amerika D.C. Comics voor zover bekend geen actie heeft ondernomen op basis van haar auteursrecht jegens Roy Lichtenstein (nu de Roy Lichtenstein Foundation). De financieel belangen zijn groot. De royalties die de Lichtenstein Foundation ontvangt van posters, mokken, schoenen, tassen en shirts met daarop schilderijen van Lichtenstein zullen in de miljoenen dollars per jaar lopen.
Niet uitgesloten kan worden dat op enig moment er wel een regeling is getroffen tussen D.C. Comics en Lichtenstein, maar dat daarover geheimhouding is afgesproken.
De vraag is nu of D.C. Comics met succes, op basis van haar auteursrecht, zou kunnen optreden tegen Lichtenstein.
Vast staat dat 1) het “frame” een auteursrechtelijk beschermd werk is  2) D.C. Comics auteursrechthebbende van het frame is en 3) Er  een “substantial similarity” bestaat tussen het “frame” en het werk van Lichtenstein.
Voor wat betreft de “substantial similarity” is het voldoende dat “de gewone man” het werk als een kopie zou herkennen (aangenomen dat de gewone man bekend is met het originele frame). Het voorgaande zou in beginsel voldoende zijn om inbreuk op het auteursrecht van D.C. Comics door Lichtenstein aan te nemen. In beginsel want  Lichtenstein zou zich kunnen verweren door zich op “fair use” te beroepen.
De Amerikaanse “fair use” doctrine houdt in dat auteursrechtelijk beschermde werken in een aantal gevallen, voornamelijk in het algemeen belang, zonder toestemming van de rechthebbende gebruikt mogen worden. De gedachte is dan dat het gebruik geen geweld doet aan de belangen van de auteursrechthebbende. Vaak gaat het om het bekritiseren van het auteursrechtelijk beschermde werk, verslag doen over een auteursrechtelijk beschermd werk of gebruik in het onderwijs. De “fair use” doctrine zorgt er voor dat –en dat is in Amerika belangrijk- “the right of free speech” zoals gegarandeerd bij het “First Amandment” gewaarborgd wordt.

De factoren voor "fair use"

Om een gebruik als "fair" te laten kwalificeren, moeten de volgende factoren worden geanalyseerd:
1.     Het doel en karakter van het gebruik, inclusief de vraag of het gebruik commercieel is of educatief en non-profit;
2.     De aard van het beschermde werk;
3.     De omvang en het belang van het overgenomen deel in verhouding tot het beschermde werk als geheel; en
4.     Het effect van het gebruik op de potentiële markt voor of waarde van het beschermde werk.
De interpretatie van deze vier factoren wordt bepaald door eerdere rechtspraak in vergelijkbare gevallen. De kwestie wordt beoordeeld naar huidig recht, en niet naar de stand van het Amerikaanse recht in 1964 (het jaar dat Lichtenstein het werk schilderde). Voor de beantwoording van de vraag of het gebruik door Lichtenstein als “Fair Use” valt te kwalificeren is het antwoord op de eerste vraag, nu het gaat om de vraag naar de toelaatbaarheid van "appropriation art", het belangrijkst.  
De volgende drie zaken bieden een belangrijk richtsnoer.

Rogers v. Koons (1992)

In Rogers vs. Koons klaagde Art Rogers, een fotograaf, de kunstenaar Jeff Koons aan vanwege inbreuk op zijn auteursrecht. Rogers had een zwart/wit foto gemaakt van een man en een vrouw met in hun armen puppies. De foto werd gebruikt voor wenskaarten en andere “merchandise”. Koons zag de foto op een wenskaart en wilde van de foto een sculptuur maken om de banaliteit van alledaagse voorwerpen aan de kaak te stellen. Koons liet zijn assistenten een sculptuur vervaardigen, genaamd “String of puppies” met zoveel mogelijk detail (afgeleid van de foto) als mogelijk. Koons verkocht uiteindelijk drie sculpturen voor een bedrag van  $367,000.
Koons gaf toe de foto als basis voor de sculptuur gebruik te hebben, maar beriep zich op “fair use by parody.” De rechtbank vond dat er tussen de sculptuur van Koons en de foto van Rogers “substantial similarity” bestond. Met andere woorden de foto en de sculptuur leken zoveel op elkaar dat er –in beginsel- sprake is van auteursrecht inbreuk. Vervolgens diende de rechtbank te beoordelen of er wellicht sprake was van een toelaatbare parodie als “fair use”. De rechtbank wees het parodie argument van Koons af.
De rechtbank oordeelde dat als Koons een parodie van het type kunst (zoals gemaakt door Rogers) had willen maken, Koons dat had kunnen doen zonder het specifieke werk van Rogers te gebruiken. Koons leverde met zijn kunstwerk geen specifiek commentaar op het werk van Rogers, het kopiëren van het werk van Rogers viel daarom, aldus de rechtbank, niet onder de “fair use/parody” exceptie. Koons heeft een schadevergoeding aan Rogers moeten betalen en hem één van de in totaal vier exemplaren van de “sting of puppies” moeten geven.
Rogers "Puppies"
Koons "String of Puppies"

Mattel, Inc. v. Walking Mountain Prods (2004)

Thomas Forsythe, een Amerikaanse fotograaf, maakte in 1997 een serie foto’s genaamd “Food Chain Barbie”. In de serie worden naakte Barbie poppen aangevallen door keukenmachines. Forsyth creëerde de serie onder meer om kritiek te leveren op de objectificatie van vrouwen geassocieerd met Barbie. Forsythe bracht onder meer kaarten op de markt van de “Food Chain Barbie” serie. De website van Forsythe bevatte een statement van Forsythe waarin hij kritiek leverde op Barbie. In totaal verdiende Forsythe $3,659 aan de “Food Chain Barbie” serie. Mattel Inc. klaagde Forsythe aan voor onder meer inbreuk op auteursrecht.
Mattel verloor de zaak. De rechtbank stelde vast dat Mattel in advertenties voor Barbie, Barbie neerzetten als de ideale Amerikaanse vrouw en als een symbool voor Amerikaanse meisjes. De rechtbank stelde vast dat gezien het commentaar dat Forsythe beoogde met de fotoserie op het Barbie fenomeen, de fotoserie als een parodie kwalificeert. De winst die Forsythe met de foto’s maakte deed volgens de rechtbank niet af aan de parodie gezien de grote kwaliteit van de fotoserie als parodie. De rechtbank veroordeelde Mattel tot het betalen van ca. 1.5 miljoen dollar aan advocaat kosten en 241 duizend dollar aan kosten aan Forsythe.
Thom Forsythe "Food Chain Barbie"
Thom Forsythe "Food Chain Barbie"

Cariou v. Prince (18 maart 2011) (hoger beroep ingesteld)

Fotograaf Patrick Cariou publiceerde in 2000 een boek met foto’s van Jamaicaanse rastafari’s (gepubliceerd door PowerHouse Press). De “appropriation arist” Richard Prince maakte tussen December 2007 en februari 2008 een aantal werken waarvoor hij in totaal 41 foto’s van Cariou gebruikte. Zo plakt Prince bijvoorbeeld een electrische gitaar op een foto van Cariou. Prince noemde de  door hem vervaardigde serie werken “Canal Zone.” De  Gagosian Gallery (Manhattan, NY) stelde de “Canal Zone” werken tentoon en publiceerde een catalogus met daarin de “Canal Zone” werken. Cariou klaagde zowel Prince als de Gagosian Gallery aan vanwege auteursrechtinbreuk.

De zaak draait om het “fair use” verweer van Prince en Gagosian. In het goed gemotiveerde vonnis van rechter Deborah Batts worden alle factoren die een rol spelen bij “fair use” gewogen.

Prince is door de rechter bevraagd over wat hij met de “Canal Zone” werken beoogde. Prince zei daarover: “The message is to make great art that makes people feel good.”

Prince veliest de zaak. Belangrijk in het vonnis is dat de rechtbank opmerkt:

“If the infringement of copyrightable expression could be justified as fair use solely on the basis of the infringer’s claim to a higher or different artistic use...there would be no practicable boundary to the fair use defense.”

Volgens de rechtbank wilde Prince met het gebruik van de foto’s, vanuit het perspectief van Prince, een hogere artistieke waarde aan de foto’s van Cariou geven. Zou echter het willen geven van een hogere artistieke waarde aan een bepaalde (auteursrechtelijke beschermde) foto de toetssteen zijn voor het honoreren van “fair use”, dan zou dit betekenen dat alle “appropriaton art” altijd is toegestaan, aldus de rechtbank. Elke “appropriation artist” beroept zich immers op “de kunst” als rechtvaardiging. Waar het volgens de rechtbank om gaat is dat –wil er sprake zijn van een toegestaan gebruik van auteursrechtelijk beschermde werken in appropriation art- het nieuwe werk commentaar of kritiek levert, of op een andere manier de betekenis van de originele foto’s wijzigt. Daarmee direct verwijzend naar de hiervoor genoemde zaak Rogers vs. Koons.

De achterliggende redenering van de rechtbank is dat Prince om zijn punt te kunnen maken niet noodzakelijkerwijs de foto’s van Cariou nodig had. Het ging Prince er niet om, om specifiek commentaar te leveren op de foto’s van Cariou. De rechtbank oordeelde daarom dat het dan ook niet nodig (in de zin van “fair use” ) was om de foto’s van Cariou te gebruiken. Prince had bij wijze van spreken ook zelf foto’s van Rasta’s kunnen nemen en die kunnen gebruiken, of de rechten voor het gebruik van de foto’s van Cariou kunnen afkopen (indien Cariou daarmee had ingestemd, hetgeen hem overigens niet door Prince vooraf is gevraagd).

Opvallend aan deze zaak is ook dat de galerie schuldig wordt bevonden aan auteursrechtinbreuk. De galerie verkocht acht “Canal Zone’ werken voor in totaal 10.5 miljoen dollar. De rechtbank oordeelde dat Prince de nog niet verkochte werken diende te vernietigen en dat aan de kopers van de werken een brief gestuurd moet worden dat ze de werken niet tentoon mogen stellen.

Door Prince is hoger beroep ingesteld.

Links het origineel van Cariou, rechts uit de serie "Canal Zone" van Prince


Lichtenstein en “fair use”

Wat betekent het voorgaande nu voor het gebruik van Lichtenstein van een auteursrechtelijk beschermd frame uit een stripboek?
Hieronder een aantal quotes van Lichtenstein die iets verraden over zijn bedoeling met het overschilderen van de frames:

“In America the biggest is the best.

"The closer my work is to the original, the more threatening and critical the content. However, my work is entirely transformed in that my purpose and perception are entirely different. I think my paintings are critically transformed, but it would be difficult to prove it by any rational line of argument"
"I think my work is different from comic strips- but I wouldn't call it transformation; I don't think that whatever is meant by it is important to art".

Conclusie

Mijn inziens is het niet aannemelijk dat Lichtenstein met het vrijwel overschilderen van een frame uit een strip specifiek commentaar wilde leveren op het originele frame. Als dat al zijn bedoeling was, dan blijkt dat niet uit het schilderij. Het was ten tijde van het schilderen van, onder meer, Ooh Allright” niet zo bekend dat Lichtenstein originele frames voor zijn werk gebruikte. Uiteraard is het aan de auteursrechthebbende om al dan niet een punt van een (vermeende) inbreuk te maken. Kennelijk heeft D.C. Comics Inc. het goed gevonden dat Lichtenstein het frame gebruikte.

Ten slotte

Dat Lichtenstein zich wellicht niet al te veel aan het auteursrecht stoorde wil nog niet zeggen dat de Lichtenstein foundation, die waakt over de artistieke  nalatenschap van Roy Lichtenstein, makkelijk denkt over een vermeende auteursrechtinbreuk. In 2008 bracht de Amerikaanse band Elsinore de plaat “Yes Yes Yes” uit met de volgende hoes:

Inderdaad een hoes die aan het werk van Lichtenstein (Kiss V) doet denken. De Lichtenstein foundation stuurde daarop een e-mail naar Elsinore waarin Elsinore van auteursrechtinbreuk werd beticht. Kennelijk is de Lichtenstein foundation van mening dat Lichtenstein het auteursrecht op een auteursrechtelijk beschermd frame heeft verkregen door het over te schilderen. De band verweerde zich door te stellen dat een vriendin van de band, Brittany Pyle, de albumhoes had aangeleverd. Brittany Pyle, een kunststudente, had in een les over “appropriation art” in opdracht van haar professor, hetzelfde frame gebruikt als welke Lichtenstein had gebruikt. Hetgeen tot een vergelijkbaar resultaat leidde. Oordeel zelf of het aannemelijk is dat Brittany Pyle zich op het originele frame heeft gebaseerd, of op het schilderij van Lichtenstein. De Lichtenstein foundation zag in ieder geval af van juridische stappen.

Quirijn Meijnen

Afbeelding "deconstructing Roy Lichtenstein van David Barsalou











zaterdag 2 juli 2011

Fake or Fortune, nieuwe BBC serie over (valse) kunst



Homer, children under a palmtree



“It’s a very powerfull painting”

Lenny Kravitz zong al “It ain’t over till its over”. In het recht is het niet anders. Pas als het schilderij weer op de juiste plek hangt of het geld op de bank staat kun je zeggen het is voorbij, alhoewel er soms dan nog van alles kan gebeuren.

De BBC is onlangs de serie "Fake or Fortune" gestart. De enige overeenkomst met het Nederlandse “Tussen Kunst & Kitsch” is dat er een mogelijk meesterwerk op een rommelmarkt of garageverkoop ontdekt wordt. Voor de rest gaat elke vergelijking mank.

Fake or Fortune is niets minder dan kunstgeschiedenis, emo tv en een juridische thriller ineen. Het programma neemt je mee naar de veilingzaal van Sotheby’s in New York, kunst experts, oude adel, advocaten en mensen die op een vuilnisbelt een aquarel vinden die mogelijk tonnen waard blijkt te zijn.

Deze serie maakt weer eens duidelijk dat niets is wat het lijkt en als het om veel geld of kunst gaat, het altijd spannend is tot het einde. De eerste aflevering gaat over het schilderij "Children under a palmtree" van de Amerikaanse schilder Homer (hierboven afgebeeld).

De serie is te zien via de BBC website en natuurlijk op de BBC
De BBC website werkt alleen met een UK ip adres. Door een proxy server te gebruiken is het mogelijk om een UK ip adres te krijgen.

(spoiler warning)
Meer informatie over het schilderij "Children under a Palmtree" van Homer is hier op wikipedia te vinden.

Amsterdam, 2 juli 2011

Quirijn Meijnen
Advocaat

maandag 9 mei 2011

"Ze is natuurlijk Katja Schuurman niet"

Foto: Liam Tickner, uit het boek "London 2008" www.liamtickner.com


Journaliste Dieuwertje Mertens (www.dieuwertjemertens.nl) interviewde mij voor de kunstbijlage van Het Parool d.d. 3 mei 2011 aangaande portretrecht en kunst. Onderwerp van gesprek was een boek van kunstenaar Liam Tickner over een galeriemedewerkster die tijdens een Londense kunstbeurs door hem, in het geheim, met zijn mobiele telefoon werd gefotografeerd. Het artikel is te lezen op de site van Liam Tickner www.liamtickner.com

Quirijn Meijnen